Het wifiplan van de rector onthuld?


Sinistere tijdingen uit het rectoraat! Heeft Rik Van de Walle de experimenteringsdrang van de ingenieurswetenschappen dan toch niet achter zich kunnen laten?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/11/2017 – 8:58 Brief van Sam­my de Rat door Pieter­jan Schep­ens

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Sam­my

Zo moet het tri­este ver­dict wel luiden, indi­en wij geloof hecht­en aan de brief die onze redac­tie van Sam­my de Rat mocht ont­van­gen. Het is zo een onwaarschi­jn­lijk ver­haal, dat wij ons genoodza­akt zien de brief hier in zijn total­iteit aan het oordeelsver­mo­gen van onze lez­ers voor te leggen.

Geachte redac­tie van Scham­per,

Ik schri­jf deze brief vanu­it de kelders van het rec­toraat. Ver­gis u niet hierin een gebruike­lijk onderkomen voor rat­ten te zien: dikke beton­nen muren en vele lagen aarde schei­den mij van de buiten­wereld, en ik ben door deuren van staal gedra­gen vooraleer ik hier toek­wam.

Ik was toen nog maar een klein rat­je.

Sinds mijn geboorte heb ik nooit iets anders gek­end dan een glazen bak waaruit af en toe een van mijn broed­ers werd weggenomen om hem met een of andere ziek­te te infecteren. Hoezeer had ik gewenst dat ook ik slechts die spelden­prik onder mijn zachte pel­sje had moeten voe­len! Mijn lot was veel gruwelijk­er.

Op een dag wer­den ik en een aan­tal andere rat­ten weggenomen uit ons vertrouwde lab­o­ra­to­ri­um. Niet veel lat­er zat­en we in een nieuwe glazen bak, in een ruimte killer dan voorheen. Beton­nen muren, felle licht­en. Niet meer aflei­d­ing dan in een hoek een zwart bak­je met kabels en licht­jes die groen en rood knip­per­den.

Daar spendeer­den we ander­halve maand in bij­na com­plete afzon­der­ing. Af en toe betraden fig­uren in lange witte jassen de zaal, die ons oppak­ten en onze lichamen inspecteer­den, alsof ze iets zocht­en dat er niet was. Wij begrepen het niet en staar­den maar verder naar de knip­perende bak­jes.

Op een dag kwam een man bin­nen die ik nog niet had gezien. Hij keek kwaad naar mij. Onbevreesd als ik was, staarde ik hem op mijn beurt aan met mijn rat­tenogen. Hij gri­maste. Hoe langer ik keek, hoe roder hij aan­liep. Hij nam mij op en kneep mij bij­na dood ter­wi­jl hij mijn lichaam onder­zocht zoals zijn voor­gangers dat gedaan had­den. Met een bruske beweg­ing van zijn arm gooide hij mij terug in de glazen bak, ter­wi­jl hij uitschree­uwde: “Over­al wifi, over­al!”.

Toen kwa­men de kankergezwellen.

We waren onder­tussen omringd door de zwarte bak­jes die knip­per­den. Op de vlo­er, op de muur, op het pla­fond: over­al flit­ste groen en rood, onophoudelijk. Had de kanker ons niet gemold, dan waren we aan slapeloosheid gestor­ven.

Ik weet niet hoe ik het als enige heb over­leefd. Op een keer ont­dek­te ik een bol op mijn rechter­achter­poot; ik heb mijn poot eraf gebeten. Toen kwam de man terug, en met een blik van nog grotere afschuw draaide hij mij om en om, op zoek naar de gezwellen die er niet waren. Ik beet hem in de hand en glipte weg, doorheen het dool­hof van zwarte bak­jes die knip­per­den.

Achter mij schree­uwde de man: “God­ver­domme, als er daar­buiten ook maar een van dat soort rond­loopt, zijn we nog niet van dat pen­sioen­plan af!”

Nu hoor ik fluit­muziek. De rat­ten­vanger nadert.

Bange groet,

Sam­my de Rat