Het dorp aan het water


Ampersand is het blauwe schelpvormige zandbakje van Schamper. Het is een rubriek voor poëzie, kortverhalen, tekeningen en alles wat niet in een andere rubriek past, maar wel op een blaadje papier.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 23/10/2023 – 9:51 door Paul Dial­lo

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hier sta ik dan aan de brug die zow­el de ingang naar een rijke bron van herin­ner­in­gen en sen­ti­ment is, als de afrond­ing van een hoofd­stuk is, het einde van een tijd­perk. En vooral de brug waarop ik in een vlaag van over­moed tot een gesprek werd geroepen met het kille asfalt en mijn pols brak. De veel­beteke­nende, maar ook weer niet­szeggende brug richt­ing een dorp waar ik nooit kan verd­walen.

De koet­jes staren me apathisch aan wan­neer ik langsloop. Ik wil nog zeggen dat het onbeleefd is om voor­bi­j­gangers zo na te gapen, maar het gebrek aan lev­enslust waarmee ze het gras herkauwen en de steeds aan­wezige stilte hier, ver­hin­deren me ervan de rust te door­breken. Miss­chien zijn de koet­jes niet apathisch. Miss­chien zijn ze wel zelfvoldaan, bedenk ik me ter­wi­jl ik mezelf erop betrap dat ik eigen­lijk een beet­je jalo­ers ben op hoe ze zo zorgeloos in het gras kun­nen ontspan­nen. Of toch nadat ik de koeien­vlaaien en de bijbe­horende stank heb wegge­fil­terd.

De koet­jes staren me apathisch aan wan­neer ik langsloop

Ik passeer langs het sta­tion, de enige reden waarom dit dorp en deze con­treien nog niet com­pleet afgesne­den zijn van de rest van Bel­gië. Mijn dier­bare verbind­ing met de kos­mopoli­tis­che ste­den waar nie­mand deze koet­jes ook maar een blik zou gun­nen. Mijn vertrekpunt naar iets grot­ers, iets wat ik nooit zou kun­nen vat­ten als ik me com­pleet laat bed­wel­men door de gemakzucht en de bij­na ake­lige rust en famil­iariteit die dit dorp te bieden heeft. 

Ik nad­er het park. Nou ja, ‘park’ is eigen­lijk beledi­gend, want het is gigan­tisch. Het is een leefw­ereld op zich omdat het zo afges­loten is van de rest van het dorp. Hordes water­hoen­t­jes, eend­jes en de gevrees­de ganzen kom je alti­jd wel tegen als je maar lang genoeg wan­delt. Maar nu is het lente en zie ik voor de eerste keer de baby-eend­jes. Nor­maal zou ik al grap­pend tegen een sen­ti­menteel per­soon gezegd hebben dat ze om op te eten zijn en dat ik eigen­lijk wel honger heb, maar er is nie­mand om het aan te vertellen.

Aan de ingang van het park neste­len zich herten en aller­lei soorten vogels. Elke keer als ik iemand mee­neem, kan ik me slechts met de groot­ste moeite van de wereld inhouden. Mijn ent­hou­si­asme voor de dieren dwingt me ertoe de ongelukkige pas­san­ten door het park te sleuren, richt­ing het hert­jes­paradi­js.

Na het bezoek aan de herten sta ik voor een moeil­ijke keuze, verder het dorp intrekken of terugk­eren? Uitein­delijk keer ik sti­laan terug, om me klaar te mak­en voor de reis richt­ing een stad die mijn naam roept. Op de trein realiseer ik me iets. Herin­ner­in­gen over­spoe­len me als een tsuna­mi, en ik besef plots dat het gebrek aan buf­fels me hier nooit zal doen thuis voe­len.