Het Bilbao-effect


Aan de boorden van de Nervión schittert het Guggenheim Museum. Met zijn vreemde metalen platen is het het symbool van een opstandige, maar veerkrachtige stad. Weg slecht imago, Bilbao is herboren.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 15/04/2024 – 7:23 door Bram Maes

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

In de jaren 90 werd Bil­bao in één adem genoemd met economis­che achteruit­gang. Winkels in de bin­nen­stad ston­den leeg en de bevolk­ing ging gebukt onder de bloedi­ge Bask­ische onafhanke­lijkhei­dsstri­jd. Van die economis­che achteruit­gang is er nu weinig te merken. De bin­nen­stad is aan­ge­naam druk en nieuwe gebouwen zor­gen voor vooruit­gang­sop­ti­misme. Hoe Bil­bao zo’n wed­erge­boorte onderg­ing, is geen geheim. Vol­gens velen ligt het aan één ding: de komst van het Guggen­heim Muse­um. 

Het Guggen­heim Muse­um ligt in het cen­trum van Bil­bao en kwam tot stand dankz­ij uit­brei­d­ings­plan­nen van de Guggen­heim Foun­da­tion. Na het suc­ces van het eerste muse­um in New York, moest de − steeds grot­er wor­dende − kun­st­col­lec­tie in een nieuw muse­um onderge­bracht wor­den. Venetië was favori­et, maar uitein­delijk vie­len de ogen op Bil­bao, het Charleroi van Span­je. Een rare keus, niet­waar? 

Een spe­ciale besliss­ing is het alleszins, maar wat als een paal boven water staat, is dat de stad sinds de komst van het muse­um een gigan­tis­che meta­mor­fose onderg­ing. De plot­selinge bloei van een stad dankz­ij één gebouw is men lat­er toepas­selijk het Bil­bao-effect gaan noe­men. Niet enkel Bil­bao onderg­ing zo’n tran­si­tie, ook ste­den als Malmö met wolkenkrab­ber ‘Turn­ing Tor­so’, Luik met het futur­is­tis­che sta­tion van Guillemins of zelfs Mid­delk­erke met het nieuwe casi­no op het strand wer­den opeens toeris­tis­che topbestem­min­gen dankz­ij de komst van een opval­lend mod­ern gebouw. 

Los van de rol als toeris­tis­che katalysator, zijn er ook enkele nade­len ver­bon­den aan het Bil­bao-effect, zo sluiten de nieuwe gebouwen vaak niet aan bij de rest van de stad. Het Guggen­heim Muse­um is bijvoor­beeld niet archi­tec­turaal ver­bon­den met de bin­nen­stad van Bil­bao. Het gedraagt zich met andere woor­den een beet­je als een Vlam­ing op een camp­ing vol Hol­lan­ders: het ont­vangt heel veel aan­dacht, maar zal alti­jd anders bli­jven.

Ook wordt bij zo’n miljoe­nen­pro­jecten vaak gekozen voor bek­ende buiten­landse archi­tecten. Namen als Frank Gehry, Zaha Hadid of San­ti­a­go Cala­tra­va zor­gen voor veel belang­stelling, maar tegelijk­er­ti­jd had­den zulke bouw­pro­jecten ook de spring­plank kun­nen zijn voor een lokale meester. Boven­di­en ontwierp het­zelfde archi­tecten­bu­reau in het verleden al veel gebouwen die zo’n Bil­bao-effect veroorza­ak­ten. Zo ontwierp San­ti­a­go Cala­tra­va bijvoor­beeld gelijkaardi­ge sta­tion­s­ge­bouwen in Luik, New York, Zürich en Bergen. Zulke nieuwe gebouwen onder­mi­j­nen vaak het volkse karak­ter van een bepaalde buurt en geven die ver­vol­gens een inter­na­tionale sfeer. Op die manier verd­wi­jnt het lokale en wordt het ver­van­gen door iets inter­na­tion­aals.

Is een Bil­bao-effect dan een slechte zaak? Niet noodza­ke­lijk. Alleen mogen er gerust wat vak­er lokale archi­tecten en archi­tec­tu­ur bij betrokken wor­den. Want zo’n Guggen­heim, dat bli­jft toch alti­jd een vreemde eend in de bijt.