Gramsci had dan toch gelijk


De spreekbuis: een verhaal in zijn eenvoud, een gedachte in chaos, een beeld dat meer dan duizend woorden zegt of een verloren rode draad van een vertelsel, gebracht op papier.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 4/09/2021 – 17:33 door Judith Lam­bert

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

“Pes­simisme van het ver­stand, opti­misme van de wil”. Mijn pro­fes­sor poli­tieke filosofieën sprak het lev­ens­mot­to van Anto­nio Gram­sci uit op een begeesterende manier, het soort begeester­ing dat je niet vaak tegenkomt in een zwe­terige aula op vri­jdag­namid­dag. Ken je het gevoel van woor­den die tot je spreken, ook al begri­jp je heimelijk niet écht waar­voor ze staan? Te kop­pig om toe te geven dat ik niet zo intel­lectueel ver­rijkt was als ik wou zijn, te onzek­er om te zien dat iedereen ron­dom me dat ook was. Ik wou me die woor­den eigen mak­en en – zoals het een pseu­do-intel­lectuele negen­tien­jarige betaamt – drapeerde ze boven mijn bureau. 

Ik was aangetrokken tot de interne tegen­stelling, al was het niet iets waarmee ik me vereen­zelvigde. Opti­misme ging me goed af. Ik begon aan Poli­tieke Weten­schap­pen vanu­it de naïeve droom een impact op de wereld te hebben. Maar waar mijn pro­fes­sor mij op vri­jdag­namid­dag wist te begeesteren, deed de poli­tiek mij als­maar meer afk­eren. Machteloosheid wordt de trouw­ste kom­paan van de politi­coloog, die over­weldigd wordt door ken­nis van zak­en zon­der een idee te hebben van de struc­turen om echte veran­derin­gen te ver­wezen­lijken. Omdat een sit­u­atie te groot is, of de waarde van mensen­levens te klein. Met elk nieuw jour­naal sluipt pes­simisme een tikkelt­je meer naar bin­nen. Als tiener waren ver­halen zoals dat van Malala Yousafzai het voet­stuk waarop ik mijn hoop liet rusten. Tegen­wo­ordig kan ik enkel denken aan de miljoe­nen jonge Afgha­nen die vol­wassen zijn gewor­den in een lev­en vol ter­reur, zon­der hoop op ver­be­ter­ing.

Dat negatieve gevoe­lens nog steeds opbor­re­len, betekent ook dat er onderliggend nog steeds hoop is

Opti­misme zat niet echt meer in mijn wil, en boven­di­en voelde het blasé om met een citaat van Gram­sci te dwepen. Niet langer negen­tien en onzek­er zijn, ver­min­derde de drang om osten­tatief intel­lectuele citat­en ten­toon te stellen om mensen te over­tu­igen van mijn geesten­ver­mo­gen. Het blaad­je verd­ween samen met mijn opti­misme uit mijn gezichtsveld. De eerste les poli­tiek was geleerd, en het cynisme volledig omar­md.

Na enkele jaren echter was cynisme geen omgangsmech­a­nisme meer, maar een stru­ikel­blok. Waar leefde ik nog voor, zon­der de droom om de wereld te veran­deren? Na jaren van totale ver­getel­heid werd ik weer gecon­fron­teerd met Gram­sci. En zon­der moeite kon ik dit keer niet enkel the­o­retisch begri­jpen wat hij bedoelde, maar ook voe­len. Pes­simisme is intussen een goede vriend gewor­den, maar ik lach opti­misme ook niet zomaar weg als een naïeve tienerb­lik. Het is een emo­tionele uit­puttingss­lag om je telkens opnieuw op te laden voor opti­misme wan­neer de wereld in brand staat. Maar het feit dat negatieve gevoe­lens nog steeds opbor­re­len, betekent ook dat er onderliggend nog steeds hoop is. Vanaf nu omarm ik neg­a­tiviteit, om van­daar terug de wereld te willen veran­deren. Ook al is dat blasé.