Geschiedenis, passé composé?


Al bijna 2500 jaar onderzoekt men personen, gebeurtenissen en processen uit het verleden à la Paul Jambers. 'Wie waren ze, wat deden ze, wat dreef hen?' Maar studenten aan de UGent durven denken: waarom doen we dit? Is historisch denken iets van het verleden?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 29/03/2021 – 8:37 door Collin Car­don

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Waarom mensen doen wat ze doen is miss­chien wel dé vraag die elke his­tori­cus of his­tor­i­ca al eens de muur heeft opge­dreven: ‘waarom stak Cae­sar de Rubi­con over?’, ‘waarom viel Hitler Rus­land bin­nen?’ Maar even goed zijn de vra­gen: ‘waarom veran­derde het west­erse kerngezin van struc­tu­ur doorheen de tij­den?’ en ‘waarom begonnen mensen opeens munt­geld te gebruiken?’ Al deze vra­gen hebben gemeen dat ze op zoek zijn naar his­torische ken­nis, en laat dat nu net een van de magis­che woor­den zijn voor con­ti­nen­tale aca­d­e­mi­ci.

To wetenschap or not to wetenschap?

Kun­nen we de ivoren toren nu ein­delijk eens bij het grofvuil zetten?

Vol­gens pro­fes­sor Johan Braeck­man, onder andere les­gev­er van het vak ‘His­torisch overzicht van de Wijs­begeerte’, is het verza­me­len van ken­nis namelijk een belan­grijk ken­merk om te kun­nen spreken van een weten­schap: “Weten­schap moet op de eerste plaats ken­nis verza­me­len en bekomen omwille van de ken­nis op zich, zon­der dat ze verder voor iets moet dienen, of nut­tig moet zijn.” Toch zal een Engelse stu­dent je met gefron­ste wenkbrauwen aankijken wan­neer je een mensweten­schap zoals geschiede­nis een ‘sci­ence’ zou noe­men: “In het Engels slaat ‘sci­ence’ meer op de natu­ur­weten­schap­pen, of de zoge­naamde ‘exacte’, ‘posi­tieve’ of ‘harde’ weten­schap­pen. Dat zijn ongelukkige ter­men.” Het is duidelijk dat Engelsen niet alleen inza­ke val­u­ta, gas­tronomie en han­del­sakko­or­den tegen­draads doen, maar ook als het over weten­schap­pelijke ter­mi­nolo­gie gaat.

Ook fal­si­fi­catie, of het bloot­stellen aan kri­tiek, is een belan­grijk cri­teri­um: “Als iets niet prin­cip­ieel onderuit gehaald kan wor­den, dan rijzen er vra­gen over de weten­schap­pelijkheid, zoals bij pseudoweten­schap­pen als astrolo­gie en de Freudi­aanse psy­cho­analyse.” Geschiede­nis moet dus ook werken vanu­it een posi­tie waarin men niet vri­jbli­jvend bekri­tiseerd kan wor­den, zelfs al brengt de dis­ci­pline vol­gens pro­fes­sor Braeck­man meer aan­lei­d­ing tot inter­pre­tatie dan vele anderen. “Hoe dan ook moeten de feit­en klop­pen, en moet men ze betekenisvol in een bredere con­text plaat­sen. Hoe meer men daarin slaagt, hoe meer weten­schap­pelijk men te werk gaat.” Is geschiede­nis dus een weten­schap? Ja, maar net zoals liefde is het een werk­wo­ord.

Tell me why

Waarom doet men aan geschiede­nis? Een eerste antwo­ord werd al gegeven: ken­nis omwille van ken­nis. Maar men moet, ook bij geschiede­nis, reken­ing houden met de ethis­che kant van ken­nis, zegt pro­fes­sor Berber Bev­er­nage, tit­u­laris van het vak ’the­o­retis­che geschiede­nis’. “Er zijn sit­u­aties waarin het wijs kan zijn om tijdelijk geen geschiedenison­der­wi­js (of een deel ervan) te doceren of in extreme gevallen zelfs om te opteren voor een (tijdelijk) maatschap­pelijk ver­geten. Bijvoor­beeld omdat bepaalde geschiedenis­sen zo con­tro­ver­sieel zijn dat ze voor een nieuwe geweld­spi­raal dreigen te zor­gen.” Maar hij stelt dat dit ook in de omge­keerde richt­ing werkt. Soms spe­len ethis­che aspecten net een cen­trale rol, zoals bij de groeiende aan­dacht voor his­torisch onrecht, bijvoor­beeld inza­ke het kolo­nial­isme.

“Hitler zal alti­jd beter verkopen dan Nero”

Vol­doen­ing nemen met enkel ken­nis omwille van ken­nis zou echter een grondi­ge onder­schat­ting zijn vol­gens dr. Jeroen Wij­nen­daele, senior post­doc­tor­aal onder­zoek­er en docent byzan­ti­jnse geschiede­nis en mis­daads­geschiede­nis. “Ik denk dat iedereen in onze samen­lev­ing gebaat is bij een basis­train­ing his­torische kri­tiek, zek­er in het vre­selijk genaamde post-truth-tijd­perk.” Ook de principes van bron­nenkri­tiek, het in vraag stellen van vanzelf­sprek­end­he­den en de sterke mix van analyse en syn­these zijn vol­gens hem belan­grijke kwaliteit­en die de oplei­d­ing bijbrengt. Kwaliteit­en die ook helpen in de bredere maatschap­pij. Hoewel iedere stu­dent geschiede­nis, ongeacht de peri­ode die ze bestudeert, deze ken­merken aan­geleerd kri­jgt, kan de nauwlet­tende criti­cus wel opmerken dat het zich niet alti­jd ver­taalt op de pub­lieke voor­grond: “Hitler zal alti­jd beter verkopen dan Nero. Ook onze oplei­d­ing wordt gedom­i­neerd door stu­den­ten mod­erne geschiede­nis, waar­bij de vroegere peri­odes stelsel­matig min­der stu­den­ten hebben. Het is een begri­jpelijke reflex dat mensen zich meer aangetrokken voe­len tot het recen­tere verleden of lokale geschiede­nis, al was het maar om te begri­jpen waar ze zelf van­daan komen.”

Een ander aspect van geschiede­nis dat veel in de volksmond wordt aange­haald, is dat het verleden ons lessen leert over de toekomst. De vergelijkin­gen die hier­bij ontstaan, zijn vaak vluchtiger en onl­o­gis­ch­er dan feestende stu­den­ten op het Sint-Pieter­splein. Voor deze vergelijkin­gen zijn vol­gens pro­fes­sor Bev­er­nage een aan­tal goede rede­nen voor een zekere scep­sis. “Bijvoor­beeld, het belang van een veran­derende his­torisch con­text en de prob­lema­tis­che gedachte van een let­ter­lijke her­hal­ing in de geschiede­nis. Ik geloof wel degelijk dat er waarde­volle lessen uit het verleden te trekken vallen. Op voor­waarde dat men er met genoeg his­torische nuance naar kijkt. Pro­fes­sionele his­tori­ci zouden met het maatschap­pelijke gebruik van het verleden in dialoog moeten gaan en tonen hoe dit met oog voor his­torische kri­tiek kan gebeuren.”

Hoog van de toren blazen?

Spreken is zil­ver, dialogeren is goud. Debat en het con­stant in vraag stellen is een hoek­steen van de dis­ci­pline. Maar zelfs dialoog tussen pro­fes­sionele his­tori­ci en niet-acad­emis­che schri­jvers durft al eens te ontsporen: een opiniedis­cussie in De Stan­daard tussen his­tori­ci en schri­jver Bart Van Loo (‘De Bour­gondiërs’, en andere) ontspo­orde bij­na in een mod­dergevecht. Bei­den maak­ten vol­gens dr. Wij­nen­daele enkele rake opmerkin­gen. Ook pro­fes­sor Fred­erik Buy­laert, gespe­cialiseerd in pre­mod­erne sociale geschiede­nis, ziet er de posi­tieve en negatieve kan­ten van in: “Ik werk toe­val­lig zelf over de peri­ode waar Van Loo’s best­seller over gaat, en hoewel ik Bart eeuwig dankbaar zal zijn voor de inter­esse die hij heeft opgewekt voor de Bour­gondis­che peri­ode, is de idee van geschiede­nis als vri­jbli­jvend enter­tain­ment prob­lema­tisch. Geschiede­nis is gevaar­lijk omdat het een com­plex verleden kan samen­ballen tot een gemakke­lijk ver­haal dat goed pakt bij een breed pub­liek en zo het heden gaat sturen. De laat­mid­deleeuwse samen­lev­ing beschri­jven door de ogen van de Bour­gondis­che her­to­gen is alsof je probeert de geschiede­nis van Ameri­ka te vertellen door alleen maar te vertellen over de tweets van de pres­i­dent.”

“Geschiede­nis is gevaar­lijk omdat het een com­plex verleden kan samen­ballen tot een gemakke­lijk ver­haal”

Alhoewel Van Loo alle his­tori­ci op de pijn­bank lijkt te leggen met sen­satieti­tels als ‘Wat als aca­d­e­mi­ci lees­bare boeken kon­den schri­jven?’, zijn dr. Wij­nen­daele en pro­fes­sor Buy­laert het ken­nelijk met elka­ar eens dat het tegen­deel waar is. Vol­gens hen lat­en zow­el lokale aca­d­e­mi­ci zoals Koen Aerts en Jonas Roe­lens en inter­na­tionale schri­jvers zoals Yuval Harari zien dat geschiede­nis en het grote pub­liek wel degelijk twee han­den op één buik kun­nen zijn. “Kun­nen we de ivoren toren nu ein­delijk eens bij het grof huisvuil zetten?”, besluit dr. Wij­nen­daele.

Waarom we aan geschiede­nis doen en wat het ons vormelijk en inhoudelijk leert, is duidelijk geen sim­pele vraag. Het antwo­ord zal dat dus ook niet zijn. Het is een manier van denken, con­tex­tu­alis­eren en meevoe­len met mensen die al decen­nia, eeuwen of mil­len­nia lang  dood zijn. Het is denken over vroeger, nu, en zelfs mor­gen. En met alle ver­wi­jten van fake news en alter­natieve nieuwspro­gram­ma’s, is nadenken meer dan ooit nodig.