Gent Jazz – dag 5


Na een paar rondjes circuleren rond de Bijlokesite vinden we eindelijk een plaatsje om ons fietsvehikel te stallen. Het publiek is er vroeg bij deze avond, gelokt door de affiche die ook deze avond weer exquis is.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 14/07/2017 – 18:14 door Lieselot Le Comte­Suzanne Grootveld

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

foto Bruno Bol­laert

Robert Glasper Experiment

foto Bruno Bol­laert

Twee van de head­lin­ers deze avond gaan hand in hand, zow­el Robert Glasper Exper­i­ment als Kamasi Wash­ing­ton zijn te horen op ‘To Pimp a But­ter­fly’ van hiphop­god van het moment Kendrick Lamar. En dat hoor je zek­er terug bij de eerste van de twee bands. Al vanaf het moment dat de eerste tonen van ‘How Much A Dol­lar Costs’ ingezet wor­den gaat het pub­liek com­pleet los. Glasper stopt even, lacht met het ent­hou­si­asme van het pub­liek, en doet nog een poging. Pas na poging drie heeft Glasper zijn lach­spieren onder con­t­role en kan de jaz­zvari­ant van dit geweldige num­mer (een lievel­ing van Oba­ma) begin­nen. De band met een goed­lachse Robert Glasper op de toet­sen oogt vanaf het eerste moment zeer sym­pa­thiek. De arti­est heeft in zijn car­rière al met vele ver­schil­lende arti­esten samengew­erkt. Denk Jay‑Z, Kanye en natu­urlijk de al eerder ver­noemde Kendrick. Maar ook vele jazzy her­w­erkin­gen van onder andere num­mers van Radio­head lat­en Glas­par en het pub­liek niet koud. Enkel de zang, waar heel de set lang auto­cor­rec­tie aan is toegevoegd, begint naar het einde toe te verve­len. Maar de imposante drumsolo’s, en natu­urlijk die bli­jvende sym­pa­thieke lach van Glasper, mak­en het alle­maal weer goed.

STUFF.: parallel muzikaal universum 

foto Bruno Bol­laert

In nauwelijks twee jaar tijd slaagde STUFF. erin een heel eigen muzikaal uni­ver­sum op te bouwen. Met een veel­heid aan muzikale invloe­den, van jazz over funk tot hiphop, weeft het vijf­tal een web van ver­rassende klanken waarin het heer­lijk ver­to­even is. Het ene moment hoor je wat Kraftwerk klinken, een halve min­u­ut lat­er Her­bie Han­cock. Maar bove­nal bli­jft STUFF. zichzelf: vernieuwende, intel­li­gente en frisse jaz­ztron­i­ca (als we dan toch een label moeten plakken), zon­der dat het arty far­ty wordt, kor­tom: heden­daagse muziek die ook zo de radio op kan. Zelden kun je de loop van een num­mer voor­spellen: de del­i­cate intro’s verdicht­en zich laag per laag tot zin­derende num­mers of vern­eve­len tot een ijle solo. Het pub­liek laat zich aansteken door de energie die van het podi­um spat en deint gretig mee. We zagen nog niet vaak zo’n feestje op een jaz­zfes­ti­val, waar­bij iedereen vol over­gave staat te dansen, trip­pend op de muziek. Al zat de jon­gen met de groene rugzak, die het nodig vond om heel de tent te lat­en delen in zijn wiet­geur, daar miss­chien ook voor iets tussen. Het is dan ook prak­tisch onmo­gelijk om je niet te lat­en meevo­eren naar de klankrijke fan­tasiew­ereld van Lan­der Gyselinck (drums), Andrew Claes (sax), Dries Lah­eye (bas), Mix­mon­ster Men­no (sam­ples) en Joris Caluwaerts (toet­sen). Onvoorstel­baar wat een rijk­dom aan klanken die gas­ten uit hun instru­menten wrin­gen. De twee cd’s die STUFF. tot nu toe uit­bracht mocht­en al op repeat, maar live is het kwin­tet ron­duit indruk­wekkend. We ver­liezen zelfs bij­na het spel­let­je ‘wie van de arti­esten zou je wel eens bin­nen willen doen’ uit het oog, zozeer eiste de muziek onze aan­dacht op. Veel te vroeg spat­te de muzikale bubbel en wer­den we enigszins ver­weesd terugge­wor­pen op aarde, al ver­lan­gend naar de vol­gend keer dat we de wereld van STUFF. mogen betre­den.

Kamasi Washington: gezellige impro’s 

foto Bruno Bol­laert

Er was een muzikaal groot­gewicht – let­ter­lijk en figu­urlijk – voor nodig om STUFF. te evenaren. Kamasi Wash­ing­ton mocht zijn pas­sage van vorig jaar nog eens dun­net­jes over­doen, en daar was nie­mand rouwig om. Gehuld in tra­di­tionele kaf­tans, die mooi con­trasteer­den met het typ­is­che jaz­zpub­liek, schre­den Wash­ing­ton en zijn band het podi­um op, om met een set van bij­na twee uur de toeschouw­ers waar voor hun geld te geven. Al was dat voor som­mi­gen miss­chien net iets te lang, gezien de vele mensen die ver­legen de tent uit­slopen. We zullen het maar steken op de babysit die naar huis moest en niet op de muzikale kwaliteit van Wash­ing­ton. Want dat ging – ondanks de vele impro’s – geen moment verve­len. Het getu­igt van groot méti­er om zomaar even­t­jes weg van de micro’s een idee te over­leggen met de trom­bon­ist en dat lut­tele tellen lat­er ten gehore te bren­gen. De vele impro­visaties, ook buiten de solo’s, is iets wat je van­daag nog maar zelden tegenkomt buiten intieme jam­sessies. Wash­ing­ton heeft duidelijk geen last van een groot ego en laat zijn ban­dle­den even­zeer schit­teren. Die zijn trouwens per­fect op elka­ar inge­speeld, zelfs de haren en baar­den van de drum­mers zijn com­ple­men­tair. Het samen­spel en de energie tussen de muzikan­ten was een plezi­er om te zien en maak­ten het onmo­gelijk om han­den, voeten en hoofd stil te houden. Relaxte stukken wis­selden funky num­mers af, om dan plaats te ruimen voor een indruk­wekkende solo. Maar het is toch vooral zan­geres Patrice Quinn die ons met haar loepzui­v­ere stem naar adem deed hap­pen. Behalve dan Wash­ing­ton, die vrolijk de lei­d­ing weer over­nam. Miss­chien maar goed, want net de spaarzame inzet van de vocals maak­ten het plaat­je com­pleet. In de finale hoopten we op nog wat extra vuur­w­erk, maar de lont sput­ter­de, flakkerde weer even op en doofde ver­vol­gens zacht­jes uit.

Opnieuw heel wat afwis­sel­ing in de pro­gram­matie op deze vijfde dag van Gent Jazz. Jam­mer genoeg was de kwaliteit ook wis­se­lend. Dat is nu een­maal het risi­co dat ver­bon­den is aan exper­i­menteren: niet elk idee is even ges­laagd. Dat de muzikan­ten hier op Gent Jazz de plat­ge­tre­den paden dur­ven te ver­lat­en en exper­i­menteren, kun­nen we alleen maar toe­juichen.