Genderdysforie als spectrum


Identificatie met een ander geslacht is geen verhaal van ‘aan’ of ‘uit’. Of je je al dan niet thuis voelt binnen je eigen gender moet bekeken worden als een breed spectrum.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 22/03/2017 – 12:20 door Suzanne Grootveld­Marthe Thys

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Waar gen­derdys­forie van­daan komt en welke oplossin­gen er gebo­den wor­den, is een gebied waar al veel onder­zoek naar gedaan is. Zo ook aan het UZ in Gent. We zat­en samen met Prof. dr. Guy T’Sjoen (endocrinoloog en dien­sthoofd van het Cen­trum voor Sek­suolo­gie en Gen­der aan het UZ) en Prof. dr. Gunter Heylens (psy­chi­ater en eve­neens actief als coor­di­na­tor van het CSG aan het UZ) voor een gedachtewis­sel­ing rond het the­ma.

Transhormoon

Wat houdt gen­derdys­forie pre­cies in en wat is het ver­schil tussen transsek­su­aliteit en trans­gen­derisme?

Heylens: “Er wor­den veel ver­schil­lende ter­men gebruikt. We zijn een aan­tal jaren gele­den los­gekomen van het con­cept ’transsek­su­aliteit’. Vroeger was er een zeer binaire visie, je was transsek­sueel of je was het niet. Inmid­dels bek­ijken we het meer als een spec­trum. Dit kan ook veran­deren in de loop van het lev­en. Velen hebben ambigue gevoe­lens over hun gen­der, zon­der zich daar slecht over te voe­len. Wij behan­de­len mensen die in het extreme uiteinde van dit spec­trum zit­ten. Mensen die er last van hebben en niet meer zo verder willen en kun­nen lev­en. Dit zijn mensen met gen­derdys­forie, wat een aparte cat­e­gorie is. Trans­gen­derisme is een bredere term dan transsek­su­aliteit, waar­door we de term transsek­sueel hebben lat­en vallen.”

“Velen hebben ambigue gevoe­lens over hun gen­der, zon­der zich daar slecht over te voe­len”

T’Sjoen: “Er bestaan ook mensen die hor­mo­nen bestellen op het inter­net, wat natu­urlijk ook niet aan te raden is, maar ze vin­den de stap om naar de dok­ter te komen nog veel te groot. Onze patiën­ten zijn nog maar het top­je van de ijs­berg. Er kam­p­en veel meer mensen met dit prob­leem.”

Ziet u hier mensen die online hor­mo­nen hebben besteld, waar­bij het mis­liep?

T’Sjoen: “Neen, ern­stige com­pli­caties zien we zelden. Wat wel prob­le­men geeft, zijn mensen die hun lichaam aangepast hebben door het gebruik van sil­i­co­nen. Dat gebeurt in Vlaan­deren gelukkig niet zoveel, maar in Zuid-Ameri­ka bijvoor­beeld wel. Door deze sil­i­co­nen kan je een chro­nis­che infec­tie oplopen. We willen mensen duidelijk mak­en dat je niet die weg moet inslaan, onze faciliteit­en zijn enorm laag­drem­pelig. Ik ben zelf ook niet de kwaad­ste endocrinoloog (lacht). Mensen zijn welkom hier.”

Heylens: “Er zijn wel nog steeds veel mis­ver­standen over de pro­ce­dure, de selec­tie en uitein­delijk het groene licht voor een behan­del­ing. Het is eerder uit­zon­der­lijk dat een trans­gen­der geen akko­ord kri­jgt voor een behan­del­ing. In de gevallen waar­bij dit wel gebeurt heeft het voor­namelijk te mak­en met andere fac­toren dan de gen­derdys­forie, zoals ern­stige sociale prob­lematiek. Hier bieden gespe­cialiseerde zorg en begelei­d­ing een oploss­ing.”

Klopt het dat een trans­vrouw door de hor­moon­be­han­del­ing emo­tionel­er wordt, en de trans­man agressiev­er?

T’Sjoen: “Het ver­haal van de trans­vrouw die behan­deld wordt met oestro­geen en daar­door emo­tionel­er wordt, klopt vol­gens mij. Ik heb zelf genoeg ver­halen geho­ord over trans­vrouwen die naar het nieuws kijken en sneller dan voorheen in tra­nen uit­barsten. Na onder­zoek gedaan te hebben bij een grote groep van trans­vrouwen was dat toch een van de sub­jec­tieve klacht­en die con­sis­tent ger­ap­por­teerd werd. Voor de trans­man­nen hou ik niet zo van het woord agressief. Het is hele­maal niet zo dat ze ineens mensen in elka­ar slaan of deuren intrap­pen. Asser­tiev­er is dan miss­chien een betere benam­ing.”

Heylens: “Ook prikkel­baarheid kan voorkomen, voor­namelijk in de eerste maan­den na opstarten van de behan­del­ing. Het is een klassieke bezorgdheid van patiën­ten en fam­i­lie, dat er sprake zou zijn van een veran­der­ing in het karak­ter. We kun­nen hen gerust­stellen dat dit niet het geval is.”

Transbehandeling

Waar ligt de drem­pel voor u bij een medis­che behan­del­ing? 

Heylens: “Wan­neer mensen goed geïn­formeerd zijn en vra­gende par­tij zijn, gaat het vlot. We gebruiken ter beves­tig­ing van de diag­nose en ook in het kad­er van weten­schap­pelijk onder­zoek een aan­tal vra­gen­li­jsten die gen­derdys­forie en andere psy­choso­ciale fac­toren in kaart bren­gen. Dit is nut­tig, maar in regel is het via gesprekken vaak wel duidelijk genoeg om een diag­nose te stellen.”

T’Sjoen: “Maar we kun­nen geen bloedaf­name of hersen­scan gaan doen die de diag­nose al dan niet beves­tigt.”

Heylens: “Er zijn onder­zoeken die aan­to­nen dat er een biol­o­gis­che oorza­ak aan de basis ligt van gen­derdys­forie; het komt niet uit de lucht vallen. Er is waarschi­jn­lijk voor een deel een genetisch vast­gelegde oorza­ak die ergens in de hersenon­twik­kel­ing – waarschi­jn­lijk zelfs voor de geboorte al – ver­schillen veroorza­akt. Hier­door zien de trans­gen­der­herse­nen er net iets anders uit dan die van het bijhorende biol­o­gis­che ges­lacht. Dat betekent natu­urlijk niet dat we iedereen onder de hersen­scan gaan leggen. Dit is ten eerste onbe­taal­baar en ten tweede zouden we bij een aan­tal mensen deze bevin­din­gen niet aantr­e­f­fen, omdat de groep niet zo homogeen is. Er zit van alles tussen de biol­o­gis­che voorbeschikking en het uitein­delijk uiten van gen­derdys­forie. Maar het is zek­er een belan­grijke vast­stelling.”

T’Sjoen: “Mensen komen meestal ook met een zelf­di­ag­nose in de eerste plaats. Dan zou het bij­zon­der zijn als wij een hersen­scan of een bloedtest zouden doen om dan te zeggen dat het niet klopt. Dat is alsof ik bij jou een bloedaf­name zou doen en zou zeggen dat het andere ges­lacht beter bij je past. Op weten­schap­pelijk vlak is de biol­o­gis­che oorza­ak vast­stellen enorm inter­es­sant, maar qua prak­tis­che impli­catie is het belang ervan zeer beperkt. Dit onder­zoek staat ook nog niet heel ver. Er zijn hier een aan­tal onder­zoeks­groepen mee bezig, omdat iedereen denkt dat het daar wel ergens te vin­den moet zijn, maar de lit­er­atu­ur daarover is heel con­tra­dic­torisch.”

“Op weten­schap­pelijk vlak is de biol­o­gis­che oorza­ak vast­stellen enorm inter­es­sant, maar de qua prak­tis­che impli­catie is het belang ervan beperkt”

Hoe zien de oper­aties eruit?

T’Sjoen: “Ik ben alti­jd gefasci­neerd door het feit dat de pers zoveel aan­dacht heeft voor de oper­aties, omdat dit deel van de bahan­del­ing heel erg behoort tot de privés­feer van de per­soon. Voor som­mige trans­gen­der­per­so­n­en geven chirur­gis­che inter­ven­ties een groot ver­schil naar ver­min­der­ing van angst en depressies, tevre­den­heid over het lichaam en lev­en­skwaliteit toe. Toch nemen we onze tijd hier­voor. De oper­aties vin­den meestal plaats na een jaar bezig te zijn met de hor­monale ther­a­pie, zek­er bij gen­i­tale oper­aties. Je moet toch wel een beet­je con­ser­vatief zijn en je de vraag stellen of deze chirurgie wel essen­tieel is, aangezien er chirur­gis­che prob­le­men kun­nen zijn, maar daar is het posi­tief dat er de laat­ste jaren meer open­heid is gekomen. Vroeger waren het enkel de per­so­n­en met extreme gen­derdys­forie die all the way gin­gen. Nu is er een stuk meer open­heid in het gesprek met de behan­de­laars en daarom wor­den ook niet per se alle chirur­gis­che ingrepen toegepast. Som­mige mensen zijn bijvoor­beeld al tevre­den met enkel een borstre­duc­tie en hebben geen nood aan aller­lei uit­ge­brei­de oper­aties.”

“Som­mige mensen zijn bijvoor­beeld al tevre­den met enkel een borstre­duc­tie en hebben geen nood aan uit­ge­brei­de oper­aties”

Transgevaar nihil

Wat zijn de eventuele com­pli­caties die er tij­dens of na de behan­delin­gen kun­nen ontstaan?

T’Sjoen: “Mijn bood­schap is alti­jd dat het bij­na gevaar­loos is, maar er zijn een aan­tal aan­dacht­spun­ten. Voor een oestro­geen­be­han­del­ing bijvoor­beeld weten we dat er een licht ver­hoogd risi­co is op trom­boses. Dus we passen wel extra op met een oestro­geen­be­han­del­ing bij mensen met stolling­sprob­le­men. Dit zijn uit­zon­derin­gen, maar we moeten die natu­urlijk wel opvan­gen.”

Heylens: “Als je spreekt over mijn exper­tise, de psy­chis­che gezond­heid, is er lang gedacht dat trans­gen­ders vak­er psy­chi­a­trische prob­le­men hebben, maar dit idee is gro­ten­deels weer­legd. Onder­zoek toont dat transper­so­n­en wel vak­er depressieve symp­tomen ver­to­nen, ten dele als gevolg van hun gen­derdys­forie. Deze symp­tomen ver­min­deren tij­dens en na de gen­der­aan­passende behan­del­ing. Het idee dat transsek­sue­len een beet­je raar of psy­chi­a­trisch gesto­ord zijn, is serieus achter­haald. Maar ze zijn wel kwets­baarder, waarschi­jn­lijk door­dat ze zich vanaf kinder­leefti­jd niet goed voe­len in hun gen­der en zich daar ook vootr een deel anders door gaan ontwikke­len, zow­el psy­choso­ci­aal als sek­sueel. Daarom is het belan­grijk dat ze al vanaf jonge leefti­jd de kans kri­j­gen in de gewen­ste gen­der­rol te lev­en. Dit zorgt achter­af voor veel min­der prob­le­men, ook psy­chisch.”

“Het idee dat transsek­sue­len een beet­je raar of psy­chi­a­trisch gesto­ord zijn, is serieus achter­haald”

Hoe vaak gebeurt het dat mensen spi­jt hebben en terug willen naar hun oor­spronke­lijke gen­der­rol?

T’Sjoen: “Bij vol­wasse­nen uiterst zelden.”

Heylens: “En dan gaat het vaak over bepaalde aspecten waarover ze spi­jt beto­nen. De vraag om volledig te lev­en in de vroegere gen­der­rol komt zeer zelden voor.”

T’Sjoen: “Ik vraag collega’s die kri­tiek uiten naar wat we doen wat de suc­ces­ra­tio is van het veld waarin ze zelf werken. Dat ligt alti­jd lager dan het suc­ces van ons onder­zoek, dat hoger ligt dan nege­nen­negentig pro­cent bij vol­wasse­nen. Bij jon­geren ligt dit wel anders, bij hen is er vaak sprake van een explo­ratie, zek­er bij de zeer jonge kinderen. Maar de mensen die begin­nen met puberteit­srem­mers zullen meestal wel door­gaan en anders zijn de gevol­gen van de rem­mers nog omkeer­baar als ze ermee stop­pen.”