Een zwak opiniestuk


Ik voel me belachelijk en kruip in een bolletje van schaamte doordat ik deze opinie moet schrijven. Ik voel me een persiflage van mezelf, van mijn soort. Alsof het UGent-boekske mij uit medelijden ook maar eens een plekje gaf en dit er dan uitkomt.

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 20/04/2026 – 8:57 door Wout Lan­duyt

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Maar kijk, noodza­ak doet een mens afdalen. Ik zal er verder geen woor­den aan besmet­ten en zal de sit­u­atie schet­sen zodat ook u, beste lez­er, het hoofd kunt schud­den. Zow­el van­wege het onder­w­erp dat hier uit­gelicht zal wor­den als ook voor het belache­lijk logis­che betoog dat daaruit zal vol­gen.

Ik wan­delde vorige week onze geliefde en gelauw­erde Rozier­bib­lio­theek bin­nen. Vleugel Mag­nel, eerste verdiep, als je van de trap­pen komt naar rechts, die gang naar de toi­let­ten. Daar hangen sinds kort, tussen de Duitse let­terkunde links en algemene let­terkunde rechts, een reeks auteur­sportret­ten van lit­eraire goden in ons taal­ge­bied. Hugo Claus, Ger­rit Kom­rij, Ste­fan Hert­mans, Tom Lanoye, Har­ry Mulisch en – als ik heel eerlijk ben – nog enke­len die ik op het eerste zicht niet herken. Ik studeer immers Engels-Duits.

U weet al waar dit naar­toe gaat beste lez­er, een Blandi­no die schri­jft over een gang met auteur­sportret­ten die de canon moeten voorstellen… Ik stel voor dat we een cirkel vor­men en elka­ar een hand­je geven, en nu allen samen in koor: “Waar o waar zijn de vrouwen?”

Ik zou echter geen colum­nist zijn als ik de gat­en niet zelf invul om mijn punt te bewi­jzen

De bib­lio­the­ca­ressen zijn alti­jd enorm vrien­delijk tegen mij dus ik zou het niet over mijn hart kri­j­gen om tegen hen te begin­nen zagen, daar­bij heb ik ook geen idee wie dat soort keuzes maakt. U denkt waarschi­jn­lijk dat het de taak van deze pseudo­colum­nist is om dat soort din­gen uit te zoeken. Ik zou echter geen colum­nist zijn als ik de gat­en niet zelf invul om mijn punt te bewi­jzen. En daar­bij, ik heb een mas­terthe­sis die af moet, ik heb daar geen tijd voor. Sta me sim­pel­weg toe de ver­gader­ing te fan­taseren waarop de selec­tie uit­gekozen werd:

Voor mij zie ik een Teams-meet­ing inge­p­land met als bijlage de agen­da­pun­ten voor die maandagocht­end: “1. Pen­sioen­feestje Ingrid – 2. Afstof­fen Ned­er­landse let­terkunde – 3. Koffiema­chine stuk – 4. Varia”. En onder die 4. Varia vond deze blun­der waarschi­jn­lijk plaats. De voorzit­ter werpt een idee op tafel om de gang op ’t eerste wat op te fleuren met zwart-wit foto’s van gri­jze schri­jvers. Hij gaf zelf al een voorzetje en somt enkele namen op. De rest van het bestu­ur was stikkapot na het hevige debat omtrent de kleurkeuze van de bek­ers op Ingrids afschei­ds­feestje en ging unaniem akko­ord met de selec­tie om toch ten laat­ste voor 12:00 thuis te zijn.

En zo geschied­de: een gang met man­nelijke schri­jvers. Op twee vrouwen na die wederom in het gezelschap van een man staan. Raar hoor UGent, vooral gênant. En saai, echt saai. Ah ja, bij­na ver­geten: Con­nie Pal­men, Kristien Hem­merechts, Gaea Schoeters, Anna Enquist.