E.T. phone home


Al decennialang is de mensheid geïntrigeerd door de mogelijkheden van buitenaards bezoek op aarde. Dat bewijst de sporadische massahysterie rond vermeende ufomeldingen en graancirkels, maar hoe staat het echt met het contact met onze galactische buren?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 16/05/2017 – 14:50 door Emi­lie Devreese

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Hoewel de kans dat Fons Van Cal­len­berghe der­tien jaar, zeven maan­den en vier dagen gele­den ontvo­erd werd door meneer den alien met zijn tjoepen en zijn nap­pen klein is, is de mogelijkheid dat we niet alleen zijn in het uni­ver­sum geen pure Mark Peeters-praat. Het uni­ver­sum is zodanig groot, dat het in feite onmo­gelijk is dat er enkel op onze pla­neet intel­li­gent lev­en zou te vin­den zijn. Om maar wat met cijfers te gooien: naar schat­ting zouden er zo’n 100 tot 400 mil­jard ster­ren­s­telsels zijn, wat zou neerkomen op zo’n tien­duizend ster­ren per zand­ko­r­relt­je op aarde. Feel­ing small yet? Het wordt nog straf­fer: vol­gens berekenin­gen van Pro­ceed­ings of the Nation­al Acad­e­my of Sci­ence of the Unit­ed States of Amer­i­ca (PNAS) zou er rond zo’n 22 pro­cent van deze ster­ren een aarde-achtige pla­neet kun­nen cirke­len. Als we zouden reke­nen dat min­stens 1 pro­cent van de ster­ren een bewoon­bare pla­neet rond zich hebben draaien, komt dat in ons eigen ster­ren­s­telsel alleen al neer op zo’n 100 mil­jard aarde-achtige plan­eten en naar schat­ting 100 bil­jard in het hele hee­lal. Nog eens 1 pro­cent van deze plan­eten zou ook nog eens lev­en kun­nen bevat­ten. Om je dat beter voor te kun­nen stellen: voor (alweer) elke zand­ko­r­rel op aarde zou er één pla­neet met lev­en te vin­den zijn in het uni­ver­sum.

Vreest niet! Ik kom in vrede!

Als er dan toch zo veel lev­en te vin­den zou zijn in het hee­lal, waarom zijn we er dan nog steeds niet in ges­laagd om con­tact te leggen met onze buite­naardse buren? ‘Lev­en’ betekent niet alti­jd ‘intel­li­gent lev­en’. Ook onze eigen pla­neet kende voor het groot­ste deel van haar 4,54 mil­jard lange bestaan enkel onin­tel­li­gente lev­ensvor­men in de vorm van een­cel­lige organ­ismes. Dat kan ook voor andere bewoon­bare plan­eten gelden: meneer den alien is niet per se een kaal, groen man­net­je in een ufo, maar kan even­goed een saaie amoebe zijn. Daar­bij komt dat onze pla­neet vrij jong is in vergelijk­ing met het uni­ver­sum dat zo’n 13,8 mil­jard jaar oud is sinds de big bang. Er zijn dus heel wat plan­eten die waarschi­jn­lijk mil­jar­den jaren oud­er of jonger zijn dan de onze, waar­door het ook mogelijk is dat de lev­ensvor­men op die pla­neet mil­jar­den jaren voor of achter staan op onze eigen beschav­ing. Wie weet hebben de aliens onze aarde al miljoe­nen jaren gele­den gekoloniseerd en lev­en wij al sinds het begin van de men­sheid in een Matrix-gewi­jze hel, waar­bij we zon­der dat we het weten volledig gecon­troleerd wor­den door boosaardi­ge buite­naardse wezens?

“Uitein­delijk zijn wij voor de aliens ook maar aliens”

Gegroet, aardbeien!

 

Een andere moeil­ijkheid bij het con­tact leggen met buite­naards lev­en, zijn de enorme afs­tanden tussen de plan­eten onder­ling. De dicht­st­bi­jz­i­jnde aarde-achtige pla­neet, Prox­i­ma B, die in een baan rond de rode dwerg­ster Prox­i­ma Cen­tau­ri draait, ligt zo’n 4,2 licht­jaren van ons ver­wi­jderd. Als je weet dat de snel­heid van het licht ruwweg 300 000 km per sec­onde bedraagt, kan je al reke­nen over welke afs­tanden we spreken. Zoals we alle­maal weten, zijn we voor­lop­ig nog wel even­t­jes zoet met de eerste mens op Mars te kri­j­gen, dus op de eerste echte Mil­len­ni­um Fal­con die de hyper­space kan doorkruisen is het nog even wacht­en.

Naast mogelijke ver­schillen in ontwik­kel­ing en de enorme afs­tand, zijn er nog andere rede­nen die het con­tact met buite­naards lev­en kun­nen bemoeil­ijken. Een daar­van is de mogelijkheid dat het afweer­sys­teem van de aliens niet aangepast is aan de bac­ter­iën die zich op aarde bevin­den en vice ver­sa. Hier op aarde zien we al dat mensen die naar een ander con­ti­nent emi­gr­eren of besmet wor­den door immi­granten vat­baarder zijn voor ziek­tes die op een bepaald con­ti­nent vaak voorkomen omdat zij er nooit antilichamen voor hebben opge­bouwd. Op deze manier stier­ven bijvoor­beeld bij de kolonisatie van Ameri­ka indi­a­nen bij bosjes aan ziek­tes zoals de pokken, die meege­bracht wer­den door Europese immi­granten. Ook lucht­druk of chemis­che samen­stellin­gen in de lucht zouden prob­le­men kun­nen geven voor de bezoek­er.

Verder weten we niet of  buite­naardse lev­ensvor­men onze manieren van com­mu­niceren wel zouden zien als com­mu­ni­catie en omge­keerd en is het dus zaak om in staat te zijn om natu­urlijke fenome­nen te kun­nen onder­schei­den van pogin­gen tot con­tact via bijvoor­beeld elek­trische gol­ven.

Ik heb jullie jarenlang geobserveerd!

Onder­tussen heeft de mens ondanks al deze uitdagin­gen al tal­rijke pogin­gen tot con­tact met extrater­res­tri­als onder­nomen. Een bek­end voor­beeld hier­van is het Mess­sag­ing to Extrater­res­tri­al Intel­li­gence-project (METI), waarmee men vanaf de late jaren 60 een­voudi­ge radiosig­nalen de ruimte in stu­urde waar­van men hoopte dat intel­li­gente buite­naardse lev­ensvor­men ze zouden kun­nen begri­jpen. Omdat men in die tijd nog niet veel ken­nis had van andere bestaande zonnes­telsels en extra­so­laire plan­eten, ver­loren de over­he­den na een tijd­je hun inter­esse in METI en bouw­den ze de sub­si­dies voor het onder­zoek af, waar­door het project moest zien te over­leven aan de hand van donaties. Vanaf de jaren 90 en de eerste jaren van de 21ste eeuw groei­de de inter­esse voor onder­zoek naar buite­naards lev­en weer dankz­ij de ont­dekking van nieuwe zonnes­telsels en plan­eten, wat lei­d­de tot het lanceren van ruimte­cap­sules COROT (Euro­pean Space Agency, 2006) en Kepler (NASA, 2009), obser­va­to­ria die onder­zoek doen naar extra­so­laire plan­eten. In 2013 had Kepler al 105 exo­plan­eten gelo­caliseerd, waar­van er één, Kepler-22b, poten­tieel bewoon­baar is. Dankz­ij de ont­dekking van deze nieuwe plan­eten genoot ook het METI-project hernieuwde aan­dacht en sinds­di­en focussen de bericht­en die METI uit­stu­urt op door Kepler en COROT gede­tecteerde plan­eten, zoals de in 2013 naar de aar­dachtige plan­eten Gliese 581g en Gliese 581d gezon­den ‘A Mes­sage From Earth’ (AMFE). Hier­naast zijn er nog enkele andere pro­jecten zoals SETILive waar­bij vri­jwilligers radiosig­nalen van aliens proberen te vin­den die mogelijks niet door com­put­ers opgepikt wer­den door aardse radiover­storin­gen en Search for SEVENDIP, dat elec­tro­mag­netis­che sig­nalen van buite­naardse intel­li­gen­tie tra­cht op te van­gen. Voor­lop­ig hebben we nog geen sig­nalen opgevan­gen waar­van bewezen is dat ze van intel­li­gent lev­en komen, maar wat niet is, kan nog komen. Uitein­delijk zijn wij voor de aliens ook maar aliens.