De Riktor klapt uit de biecht


Een onderwijsdiscussie is losgebarsten. Voorbije week kopten de Vlaamse kranten: 'Studenten doen te laat hun boeken open' en 'Proffen klappen uit de biecht over de studenten van tegenwoordig: "Velen denken: Ik heb betaald en jullie zorgen dat ik mijn diploma haal."' Een doembeeld van de luie, verwende student. Maar klopt dat wel? In het kader…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 1/10/2019 – 0:32 Rik­tor door Tim­on Ram­boer

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Rik Van de Walle

Vanaf dit acad­e­mie­jaar wor­den er tussen­ti­jdse toet­sen ingevo­erd in de Fac­ul­teit Poli­tieke en Sociale Weten­schap­pen van de UGent. De media schet­sen een beeld van een immer uit­stel­lende en luie stu­dent als voor­naam­ste bewee­gre­den voor deze maa­tregel. Wat is uw mening terza­ke en kan u dit beeld enigszins te nuanceren? 

“Het is belan­grijk om hier­bij mijn achter­grond in het achter­hoofd te houden. Ik ben inge­nieur van oplei­d­ing en op de fac­ul­teit Inge­nieur­sweten­schap­pen en Archi­tec­tu­ur wordt al vele tien­tallen jaren gew­erkt met par­tiële exa­m­ens of tussen­ti­jdse toet­sen. Die testen wor­den vooral in het eerste jaar geor­gan­iseerd en het doel is om de studievoort­gang van de stu­den­ten in kaart te bren­gen.  Hoe je het ook draait of keert, bij een aan­tal stu­den­ten – zek­er niet de meerder­heid maar wel een sig­nif­i­cante groep – is er sprake van uit­stelge­drag. Daar zijn vaak zeer goede rede­nen voor, maar even­goed is het voor ons belan­grijk dat een stu­dent het les­ma­te­ri­aal niet laat liggen.”

“Tussen­ti­jdse toet­sen kan je dus zien als een vorm van activ­erend leren. De bedoel­ing is niet om de stu­dent tegen te houden, we willen hun slaagkansen net ver­hogen. Eventuele teko­rten kun­nen tijdig opge­spo­ord wor­den en stu­den­ten en les­gev­ers kun­nen met die resul­tat­en aan de slag.  Want ook als les­gev­er is het moeil­ijk in te schat­ten of de stu­den­ten ‘mee zijn’, tussen­ti­jdse toet­sen kan je dan zien als een vorm van inter­ac­tie tussen de les­gev­er en de stu­den­ten.”

“De bedoel­ing is niet om de stu­dent tegen te houden”

“Bij de inge­nieurs, en ook in som­mige andere oplei­din­gen, werkt het al tien­tallen jaren zeer goed. Al is het ook in de fac­ul­teit Inge­nieur­sweten­schap­pen onder­w­erp van debat geweest. De tussen­ti­jdse exa­m­ens wer­den er zelfs een tijd­lang afgeschaft. Maar het is op vraag van de stu­den­ten zélf dat we die exa­m­ens – vele jaren voor ikzelf decaan was – opnieuw hebben ingevo­erd. Tot mijn eigen ver­baz­ing. Hun bekom­mernissen? Ten eerste: “Zet ons aan het werk”, ten tweede: “Geef ons feed­back over waar we staan” en ten derde: “Zorg dat we na enkele weken al een deel van de leer­stof ver­w­erkt hebben en er dan ook vanaf zijn”.”

Met ‘ervanaf zijn’ bedoelt u dat de leer­stof niet meer her­haald wordt bij het exa­m­en? 

“Dat hangt af van vak tot vak, maar bij som­mige prof­fen valt de leer­stof inder­daad gewoon weg. Het gebeurt dat pun­ten enkel meetellen in het voordeel van de stu­dent. Als een stu­dent dus vier op vier haalt op de test, dan mag hij die pun­ten houden. Heeft hij nul op vier, dan kri­jgt hij een extra kans op het exa­m­en.”

Een waarschuwing, met andere woor­den?

“Juist. Harde uit­sprak­en over niet-peri­odege­bon­den eval­u­aties zoals ‘ik ben voor’ of ‘ik ben tegen’ storen mij dan ook. Want alles hangt af van de manier waarop die tussen­ti­jdse toet­sen geor­gan­iseerd wor­den. Je kan dat organ­is­eren op een manier zodat stu­den­ten er erg veel aan hebben. ”

Enkele bedenkin­gen inza­ke die imple­menter­ing. De besliss­ing lijkt gebaseerd op de instroom van de mod­el­tra­ject­stu­dent en de stu­dent die aankomt in het Gentse en plots over een ‘totale vri­jheid’ beschikt. Maar wat met de werk- en GIT-stu­den­ten? 

“Pas op. Ik ben het totaal niet eens met mensen die zeggen dat de 18-jarige stu­dent, net aangekomen in Gent, door los­bandigheid en totale vri­jheid zijn stud­ies uit het oog ver­li­est. Inte­gen­deel. Er zijn stu­den­ten die voor het eerst op kot komen en hun weg niet vin­den. Stu­den­ten die bezig zijn met: ‘Waar moet ik zijn?’ en ‘Hoe raak ik aan eten?’ of die, voor ze het zelf besef­fen, in een soci­aal isole­ment terechtkomen. Stu­den­ten van wie de vrien­den zijn achterge­bleven in – ik zeg maar iets – het verre Antwer­pen, en hier nie­mand ken­nen. Doe het maar eens hé, als acht­tien­jarige.”

“Een belan­grijk aan­dacht­spunt voor het invo­eren van tussen­ti­jdse testen is dus de werk­last. Dat geldt voor onze mod­el­tra­ject­stu­den­ten, maar is uit­er­aard belan­grijk voor onze werk- en GIT-stu­den­ten. De studiebe­last­ing moet dus zeer goed in de gat­en gehouden wor­den. Het invo­eren van zo’n testen mag absolu­ut niet lei­den tot een glob­ale studiebe­last­ing die grot­er is dan het aan­tal voorziene uren per studiepun­ten (1 SP = tussen de 25 en 30 uur studie, red.). Een vak van 6 studiepun­ten mag dus max­i­maal 180 uur werk beteke­nen. All-in. Wan­neer we activ­erend leren invo­eren, moeten we dus naar de totale studiebe­last­ing kijken. We gener­eren een hogere werk­last in de eerste weken van het semes­ter, maar dat moet ook resul­teren in een wat lagere belast­ing lat­er in het semes­ter. Nu is het ander­som, een enorme piek in werk­last naar het einde van een semes­ter toe. We willen de studiebe­last­ing beter sprei­den over het hele semes­ter.”

“Er zijn stu­den­ten die voor het eerst op kot komen en hun weg niet vin­den.”

“Stel, je zet max­i­maal in op activ­erend leren, iets wat wij niet kun­nen doen, dan zouden er nor­maliter zelfs geen exa­m­ens meer hoeven te zijn. Dat is het logis­che gevolg. Neem nu bijvoor­beeld de Ivy League-uni­ver­siteit­en in de Verenigde Stat­en. Zij werken met veel kleinere klas­groepen en een enorme selec­tie aan de poort, dat kun­nen wij nooit doen. In die uni­ver­siteit­en zit geen apart toets­ingse­le­ment meer als in de zin van: “Is de stu­dent het waard om een uni­ver­si­tair diplo­ma te behalen?” Dat blijkt, dag in dag uit, tij­dens de les en studieac­tiviteit­en.”

Is dat dan ‘de vloek’ van een democ­ra­tisch uni­ver­si­tair sys­teem? 

“Ik zou het hele­maal geen vloek noe­men, maar een zegen. Het is een zegen dat wij een brede toe­gang hebben tot de uni­ver­siteit. En dat zeggen we te weinig. Ik vind wél dat we nog meer ons best kun­nen doen om 18-jari­gen max­i­maal te informeren over wat wij van hen verwacht­en. Van­daar mijn plei­dooi voor de ijk­ingstoet­sen. Die zijn niet bedoeld om stu­den­ten tegen te houden, maar om ze een spiegel voor te houden. Zo kun­nen we de stu­dent sneller oriën­teren, het­z­ij bin­nen de uni­ver­siteit, het­z­ij daar­buiten.”

De tussen­ti­jdse toet­sen vallen wel in novem­ber, net na een heror­iën­ter­ingspe­ri­ode. Dat lijkt mij een prak­tis­che over­weg­ing. Novem­ber is een maand met veel vri­je dagen. Maar stel nu dat die testen dan over de hele lijn slecht zijn: dan is de heror­iën­terende stu­dent wel al een heel semes­ter kwi­jt. Of niet? 

“Juist, dat is een man­co van wat nu voor me ligt. Nu, ik denk eerlijk gezegd dat je dat alleen maar kan oplossen door de prob­lematiek te ver­ruimen, niet enkel bin­nen de uni­ver­siteit, maar naar het hele onder­wi­js­land­schap toe. Wij heror­iën­teren veel te weinig. We gaan er vanu­it dat een stu­dent gebon­den is aan een bepaalde instelling en een instelling een stu­dent aan haar dient te binden. Daar moeten we van afstap­pen. Wij zouden ons als rec­toren meer moeten gedra­gen als het direc­tiecomité van het hele Vlaamse hoger-onder­wi­js­land­schap, ook samen met de hogesc­holen. Als je zo rede­neert dan is een 18-jarige die naar de KU Leu­ven gaat een stu­dent die even­goed van mijn aan­dacht geni­et als een stu­dent aan de UGent. Dat geldt dan ook voor hogeschool­stu­den­ten, of stu­den­ten die naar onze uni­ver­siteit komen en waar­van duidelijk wordt dat ze te weinig kans hebben om een diplo­ma te behalen.”

“Het is dus een man­co en we moeten de mogelijkhe­den tot ‘rit­sen’ verder ver­ruimen.”

“Als ik mezelf zie als een belei­ds­mak­er bin­nen het hele Vlaamse hoger onder­wi­js, dan her­plaats ik die stu­dent. Dan begeleid ik die stu­dent naar die plek in het land­schap waar zijn of haar ambities en dromen volledig tot uit­ing kun­nen komen. Dat moet ruimer dan enkel het oplei­d­ingsaan­bod bin­nen de eigen instelling. Het is dus een man­co en we moeten de mogelijkhe­den tot ‘rit­sen’ verder ver­ruimen. De tijd­stip­pen waarop men kan heror­iën­teren moeten we uit­brei­den. Een evi­dent tijd­stip lijkt mij na het eerste semes­ter. Dat is namelijk het eerste échte bilan voor de stu­dent. Het is dus een terechte opmerk­ing, we moeten daar beleid rond ontwikke­len. Maar dat moeten we doen met de andere instellin­gen samen.”

Het moet overkoe­pe­lend gebeuren. Dus ook vanu­it de Vlaamse regering? 

“Ik sta nogal op de autonomie van het hoger onder­wi­js. Ik heb liev­er dat we dus zelf de kans kri­j­gen om er iets aan te doen in plaats van een Vlaamse regering die ons dat zou dicteren. Ik vind wel dat de Vlaamse regering ons hierin een dead­line mag geven, en dat die het heft in eigen han­den mag nemen indi­en we daar niet in sla­gen. Het zou mij dus niet storen mocht de Vlaamse over­heid ons een jaar of twee geven om via debat­ten tot een con­sen­sus te komen. Lief­st uni­ver­siteit­en en hogesc­holen samen. Ik ben niet het soort rec­tor dat een uni­ver­siteit boven een hogeschool plaatst. Inte­gen­deel, de vorm­ing is gewoon heel ver­schil­lend. Is dat beter? Het is anders. Dat hangt vooral af van de capaciteit­en van de jonge mensen die men tra­cht te vor­men en wat ze daar lat­er mee willen aan­van­gen.”

U staat – inza­ke ijk­ingstoet­sen – wel op een heel andere lijn dan uw Leu­vense tegen­hang­er. Rec­tor Sels lanceerde eerder deze week namelijk de idee om te gaan kijken naar de secundaire loop­baan van een begin­nende stu­dent. Wat vin­dt U?

“Als we kijken naar hoe scholieren op van­daag wor­den gequo­teerd gedurende hun mid­del­bare schoolpe­ri­ode? Onhaal­baar en onwenselijk.”

Door de afwezigheid van een cen­traal exa­m­en? 

“Neen, neen. Omdat er geen uni­for­miteit is qua quoteren. En waarom is er geen uni­for­miteit in quo­tatie? Omdat er geen stan­daardtesten zijn. Dat is iets hele­maal anders dan een cen­traal exa­m­en. Een cen­traal exa­m­en is een extra exa­m­en bovenop de ein­de­jaar­sex­a­m­ens per vak in het mid­del­baar, dat de toe­gang tot het onder­wi­js regelt. Slaag je voor het cen­traal exa­m­en, dan kan de stu­dent naar de unief. Slaag je niet, dan kan dat niet. Daar ben ik tegen. Zo is het sys­teem in Frankrijk en dat lei­dt tot wat men noemt: ‘teach­ing to the test’. Dan ontstaat er een enorme druk voor de leerkracht en direc­tie om hun leer­lin­gen tot in de pun­t­jes voor te berei­den op dat cen­trale exa­m­en, want die scholen ontle­nen daar hun pres­tige aan. “In onze school slaagt 90% voor het cen­traal exa­m­en, in een ander maar 10%.” Ik ben daar absolu­ut geen voor­stander van.”

“Ik ben wel voor­stander van allereerst ges­tandaardis­eerde vra­gen (een data­base aan vra­gen waaruit een leerkracht kan kiezen en zelfs vari­atie in mag bren­gen, red.) en ten tweede, een ges­tandaardis­eerde manier van quo­ter­ing. Als je die twee samen neemt dan betekent een 70%-score in school A eigen­lijk het­zelfde als een 70%-score in school B. Pas dan ben ik bereid om te spreken over de focus op de loop­baan in het mid­del­baar inza­ke het for­muleren van adviezen, met nadruk op het woord adviezen, ten aanzien van de oplei­d­ing in het hoger-onder­wi­js. Daarom ben ik voor­stander van niet-bindende ijk­ingstoet­sen. Een advies kan je naast je neer leggen. Ik vind het écht belan­grijk dat er een zo open mogelijke toe­gang is, op een zo rijk mogelijk geïn­formeerde manier, tot het hoger onder­wi­js. De eindbesliss­ing ligt steeds bij de stu­dent.”

“Een advies kan je naast je neer leggen.”

Hoe denkt u het welz­i­jn van de stu­den­ten verder nog te kun­nen ver­beteren? 

“Ik was mij bewust van het feit dat er prob­le­men waren betr­e­f­fende het welz­i­jn van stu­den­ten, maar niet van de mate waarin die welz­i­jn­sprob­le­men aan­wezig zijn. Ik ben daar écht van geschrokken. Ook van het belang van een­za­amheid als één van de rede­nen hier­van. Die een­za­amheid kent ver­schil­lende vor­men. Een­za­amheid als in: ‘Ik zie door de bomen het bos niet meer maar moet mijn leer­stof ver­w­erken’, waar­bij de stu­dent niet de reflex heeft om over die een­za­amheid uit de biecht te klap­pen en bij andere stu­den­ten te rade te gaan. Ik ben ook geschrokken van dat feit dat de stu­dent zich niet realiseert dat een andere stu­dent miss­chien even­veel prob­le­men kan hebben als jijzelf. Het feit dat men daar niet toe komt, dat heeft mij gefrappeerd. Als thuis de elek­triciteit uit­valt, dan maakt je dat kwaad; maar als de elek­triciteit ook bij uw buur uit­valt dan is dat veel min­der erg, omdat je niet alleen bent. Je bent niet de enige met dat prob­leem. Met stud­eren is het net het­zelfde. Als je een stu­dent bent die het niet langer aankan en je denkt dat iedereen ron­dom je het wél goed doet, dan is dat een enorme belast­ing. Dat is voor mij ook iets wat die enquête aan­toont. Het is een ele­ment van een­za­amheid en dat ver­wi­jt ik de stu­den­ten niet, maar het komt erop neer dat men er niet toekomt zijn mis­erie te delen.”

“Wat ook indruk heeft gemaakt is de frac­tie van stu­den­ten die suï­ci­dale neigin­gen hebben, dat had ik niet verwacht en ik ben er niet goed van. Het laat­ste punt waar ik van opkeek is de uit­drukke­lijke vraag van stu­den­ten om geholpen te kun­nen wor­den zon­der sporen na te lat­en, in de zin van ‘zon­der de oud­ers in te licht­en’. Ik geef grif toe dat ik daar met een bril van oud­er naar kijk en dan vraag ik mij af hoe dat komt. Als oud­er wil je je kind alti­jd met alles helpen, men moet dus op de hoogte zijn van de prob­lematiek die je kind onder­gaat. Uit die bevrag­ing bleek voor een stuk dat stu­den­ten die prob­lematiek willen delen met een hulpver­len­er, maar los van de oud­ers. Dat was voor mij zek­er een ver­rass­ing.”

“Als je een stu­dent bent die het niet langer aankan en je denkt dat iedereen ron­dom je het wél goed doet, dan is dat een enorme belast­ing.”

“Ik kri­jg er iets van als ik mensen hoor redeneren dat jonge mensen niet hard werken, te lui zijn of min­der ver­standig zijn dan in ‘onze’ tijd of er met hun klak naar smi­jten. Dat is onzin. Dat is écht onzin. Als ik de cur­sussen bek­ijk die ik had en ze vergelijk met de cur­sussen die ze nu geven in de les, dan is het duidelijk dat ze veel meer moeten ken­nen en kun­nen dan wij. Als ik het­zelfde doe met de cur­sussen van mijn vad­er, dan is dat ook niet te vergelijken. Dus het idee dat de jonge mensen over de gen­er­aties heen hoe langer hoe min­der ken­nen en kun­nen, dat is een waanidee. Dat ze min­der werken, dat is ook een waanidee. Jonge mensen werken anders, zoals ik ook anders werk­te dan mijn vad­er. Dat is juist. Ik ga écht niet mee in de idee van een ‘laiss­er-faire’-men­tal­iteit bij de stu­dent van van­daag.”

“Kijk alleen al eens naar de stu­den­ten­v­erenigin­gen; hoe die alles geor­gan­iseerd kri­j­gen. Ik neem daar mijn hoed voor af. En om het een beet­je stout te zeggen: dat al die ‘emi­nente’ pro­fes­soren, rec­toren, vice-rec­toren en belei­ds­mak­ers maar eens komen tonen dat zij het in die tijd zoveel beter kon­den. Van­waar het idee dat dat achteruit­gaat? Als ik kijk naar Ser­hat die daar – bij de open­ing van het acad­e­mie­jaar – voor een tot de nok gevulde aula vol met togati met vingers in de neus een speech afs­teekt, dan besef ik dat ik dat niet kon op 22-jarige leefti­jd. Hij doet het wel hé! Ik kan mij daar kwaad om mak­en. Ook in de OESO-cijfers: 20 jaar gele­den was 47% erdoor in het eerste jaar, nu 33%. Ja, dat zal wel. We doen nu veel meer moeite om iedereen die tal­en­ten heeft voor een uni­ver­si­taire oplei­d­ing ook effec­tief naar de uni­ver­siteit te halen. Als je er dan ook meer naar de uni­ver­siteit haalt, die het finaal niet blijken aan te kun­nen, lijkt mij dat de log­i­ca zelve. Die cijfers zijn voor mij irrel­e­vant. Het is voor mij geen issue, op voor­waarde dat dat gevol­gd wordt door een heror­iën­ter­ing die beter is dan de eerste keuze.”

“Ik ga écht niet mee in de idee van een ‘laiss­er-faire’-men­tal­iteit bij de stu­dent van van­daag.”

“Dan vind ik dat we het meer moeten hebben over de leer­winst die de stu­dent boekt, in plaats van te focussen op het absolute eind­ci­jfer. We moeten ons niet zo doo­d­staren op dat eerste jaar, ook al duurt dat wat langer, maar focussen op de lange weg die ze al vanaf hun twaalfde hebben afgelegd en er vertrouwen in hebben dat het dan wel goed zal komen.”

Het inter­view met rec­tor Rik Van de Walle vond plaats voor het Vlaams regeringsakko­ord.