De opening van het academiejaar: herbekeken


Op 23 september werd het academiejaar plechtig geopend met een feestelijke stoet en een lange speech van de rector. In die speech wees hij op een paar duidelijke pijnpunten die dit academiejaar en de toekomst van UGent kunnen bepalen. 

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 12/10/2022 – 11:15 door Pieter Beirens

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Vanu­it het Win­ter­cir­cus in de Sint-Pieter­snieuw­straat vertrok op vri­jdag 23 sep­tem­ber een pro­cessie van pro­fes­soren, medew­erk­ers en stu­den­ten richt­ing cam­pus Aula. Daar kwa­men ze samen om, onder andere, te luis­teren naar de open­ingsrede van rec­tor Rik Van de Walle. In zijn speech haalde de rec­tor zak­en aan die cen­traal zullen staan in het beleid van UGent dit acad­e­mie­jaar en in de toekomst van de uni­ver­siteit. Daarom zetten wij ze nog eens op een rijt­je. 

beeld Hannes Blockx

Avant-gardist of diep in de mainstream?

De speech begint met een inlei­d­ing tot het avant-gardisme, wat in de kunst­wereld zoveel wil zeggen als con­tro­ver­siële, gedurfde en vernieuwende kun­st. De rec­tor beschri­jft dat idee als noodza­ke­lijk, zow­el in de kun­st als in de maatschap­pij. Hij pleit voor vernieuwen, aan­names in vraag stellen en tegen de main­stream ingaan. Uni­ver­siteit Gent durft vol­gens Van de Walle dan ook avant-gardis­tisch uit de hoek te komen en zou een veilige haven zijn voor vri­j­denkers en dergelijke dwarslig­gers. 

Lat­er in de speech stelt de rec­tor echter dat de avant-gardis­tis­che zet van de uni­ver­siteit onder­tussen al breed omar­md werd. Denk bijvoor­beeld aan de aangekondigde vernieuwings­plan­nen waarin UGent tegen 2050 opgedeeld wordt in drie grote clus­ters. Stu­den­ten, actoren in de bouw­sec­tor en zelfs min­is­ter van Wonen Matthias Diepen­daele lijken oren te hebben naar deze plan­nen. Dat is natu­urlijk een goede basis om die zak­en te realis­eren, maar je kan je dan natu­urlijk wel vra­gen stellen bij het avant-gardis­tis­che karak­ter van een dergelijk breed gedra­gen voors­tel. 

“De Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor mag gaan.” Excuseer de woord­keuze, Schiller was weinig soci­aal bewust. 

Van de Walle opent zijn plei­dooi met de vraag hoe UGent eruit moet zien in 2050. Hij vraagt zich onder andere luidop af hoe de uni­ver­siteit zich moet ver­houden tegen­over de stad waarmee ze samen groot is gewor­den. Het antwo­ord lijkt wel: door buiten te vliegen. In de woor­den van Schillers ‘Die Ver­schwörung des Fiesco zu Gen­ua’: “De Moor heeft zijn plicht gedaan, de Moor mag gaan.” Excuseer de woord­keuze, Schiller was weinig soci­aal bewust. 

Die uit­lat­ing is uit­er­aard kort door de bocht, maar het is wel duidelijk dat de plan­nen antwo­ord bieden op de verzuchtin­gen vanu­it de stad dat er te veel stu­den­ten in de bin­nen­stad lev­en, wonen en stud­eren. Dankz­ij het con­cept van de ‘stu­dent vil­lage’, waar stu­den­ten in grote cam­pussen buiten de stad wonen, winke­len en eten, zou het groot­ste deel van de stu­den­ten zo goed als nooit in de bin­nen­stad moeten komen.

Unief in clusters

Hoe gaat dat er dan alle­maal uitzien? Vol­gens Van de Walle moet de ver­sprei­d­ing van UGent over heel de stad gere­duceerd wor­den tot drie grote clus­ters. Dit zouden dan plekken moeten zijn waar “gebouwen op betekenisvolle manier wor­den ver­bon­den. Waar er groen is. Waar stu­den­ten en medew­erk­ers op een duurzame manier kun­nen denken, leren, doceren en samen­werken. Waar stu­den­ten kun­nen wonen en waar func­ties met elka­ar ver­bon­den zijn.”

De clus­ters zouden er als vol­gt uitzien: de eerste is een stad­sclus­ter die zich uit­strekt van Cam­pus Aula in de Uni­ver­siteitsstraat tot Lede­ganck aan het Citadel­park. Hier vin­den we de fac­ul­teit­en Poli­tieke en Sociale Weten­schap­pen, Recht­en en Crim­i­nolo­gie, en Let­teren en Wijs­begeerte. Die kri­j­gen het gezelschap van de stu­den­ten biolo­gie en de inge­nieursstu­den­ten archi­tec­tu­ur en ste­den­bouwkunde, die onder­dak zullen vin­den in in het geren­oveerde Tech­nicum.

“Waar stu­den­ten en medew­erk­ers op een duurzame manier kun­nen denken, leren, doceren en samen­werken.”
– Rik Van de Walle

Een tweede is de mid­den­clus­ter net buiten de bin­nen­stad. Deze omvat het UZ Gent en Cam­pus Sterre en zal de thuishaven wor­den van de fac­ul­teit­en Weten­schap­pen, Far­ma­ceutis­che Weten­schap­pen, en Geneeskunde en Gezond­hei­dsweten­schap­pen. In de toekomst zal laat­stge­noemde ver­volledigd wor­den door de sportweten­schap­pers, die op dit moment nog aan de Water­sport­baan ver­to­even. Ook de fac­ul­teit Psy­cholo­gie en Ped­a­gogis­che Weten­schap­pen zullen we hier terugvin­den. 

En ten slotte is er de zuid­clus­ter met het Tech­nolo­giepark in Zwi­j­naarde en Cam­pus Merel­beke. Die zullen de fac­ul­teit­en Dier­ge­neeskunde, Inge­nieur­sweten­schap­pen zon­der de archi­tec­tu­ur, Bio-inge­nieur­sweten­schap­pen en Economie en Bedri­jf­skunde huisvesten. Die laat­stge­noemde ver­laat Cam­pus Tweek­erken in de bin­nen­stad om onder andere financierin­gen van tech­nol­o­gis­che pro­jecten te verge­makke­lijken. Deze besliss­ing betekent natu­urlijk ook dat de cam­pussen die zich niet in een van deze clus­ters bevin­den, zoals Coupure, Dunant, Rom­me­laere, Mer­ca­tor, Schoon­meersen en Hei­de, niet meer in gebruik zullen zijn anno 2050. 

De grote ambitie van deze clus­ters lijkt te zijn om toe­val­lige ont­moetin­gen te faciliteren, die op hun beurt dan weer tot samen­werk­ing en weten­schap­pelijke cre­ativiteit zouden lei­den. Als we echter zien dat je te voet 25 minuten onder­weg bent om van Cam­pus Aula naar Lede­ganck te gaan en je zelfs een uur mag wan­de­len om van Cam­pus Merel­beke tot in het Tech­nolo­giepark te ger­ak­en, kun­nen er zek­er vra­gen gesteld wor­den bij dit ideaal­beeld. Het is uit­er­aard afwacht­en hoe die open cam­pussen eruit zullen zien.

Kom naar de les!

Na de uit­leg over deze gep­lande ver­huizen, begint de rec­tor een ander plei­dooi over de toekomst. In niet zo malse woor­den verzek­ert Van de Walle ons dat UGent geen afs­tand­suni­ver­siteit is en dat nooit zal wor­den. Dat lijkt een duidelijke ver­wi­jz­ing naar het debat over lesop­names, en de bezorgdheid van prof­fen dat lesop­names stu­den­ten uit de les houden. Je kan je wel afvra­gen of er echt gepleit werd om van UGent een ‘virtuele wereld’ te mak­en, zoals de rec­tor lijkt te sug­ger­eren. Hij plaatst zich op die manier nog­maals in het kamp dat de vri­jheid van de docen­ten om al dan niet voor lesop­names te kiezen op de eerste plaats zet. De rec­tor pleit er wel voor om dig­i­tale tech­nolo­gie toe te passen wan­neer die het leer­pro­ces bevordert. Hoe dat gegaran­deerd zal wor­den in een sit­u­atie waar de docent onafhanke­lijk mag beslis­sen, is onduidelijk. Verder in de speech roept de rec­tor stu­den­ten ook expli­ci­et op om naar de les te komen, omdat inter­ac­tie het onder­wi­js ten goede zou komen. Verder zou het naar lessen gaan bevorderend zijn voor het plan­ningsver­mo­gen van stu­den­ten.

Doen we al genoeg?

Een vol­gende aan­dacht­spunt is het teko­rt aan hoogopgelei­den in het werkveld en de toe­gang tot de uni­ver­siteit. “Iedereen die over de nodi­ge tal­en­ten beschikt, moet toe­gang hebben tot het hoger onder­wi­js”, klinkt het. Of het hoger onder­wi­js vol­doende doet om tal­en­ten te lat­en ont­plooien zodra ze stud­eren, wordt niet bespro­ken. De rec­tor maakt er ook een punt van om de uni­ver­siteit­en en hogesc­holen op gelijke voet te zetten. “Wij moeten af van het idee dat uni­ver­si­taire oplei­din­gen per defin­i­tie beter zijn dan hogeschoolo­plei­din­gen. Uni­ver­si­taire en hogeschoolo­plei­din­gen zijn even­waardig. Weliswaar ver­schil­lend, maar even­waardig.” 

Of het hoger onder­wi­js vol­doende doet om tal­en­ten te lat­en ont­plooien zodra ze stud­eren, wordt niet bespro­ken

Om het teko­rt aan hoogopgelei­den in het werkveld aan te pakken, pleit de rec­tor ervoor de bestaande drem­pels weg te werken in plaats van de lat lager te leggen. Toch doet de rec­tor hier een bij­zon­dere uit­spraak: “Valt het te verwacht­en dat er hier nog zeer veel winst te boeken is? Eerlijk gezegd, ik durf dat te betwi­jfe­len, gelet op de vele inspan­nin­gen die wij op dat vlak al doen.”

Dit staat in schril con­trast met andere uit­sprak­en van de rec­tor inza­ke huisvest­ing. “Het is onaan­vaard­baar dat stu­den­ten niet naar de uni­ver­siteit kun­nen, of niet naar de hogeschool kun­nen, omdat ze geen plek vin­den om te lev­en”, stelt hij bijvoor­beeld lat­er in dezelfde speech. In een inter­view met Scham­per in 2021 uitte hij zich ook al veront­waardigd over het feit dat jon­geren niet kun­nen stud­eren omdat ze geen kot kun­nen betal­en.

In welke mate deze voor­spelling waarheid wordt, zal natu­urlijk van het beleid afhangen

Maar ook naast de kwest­ie over huisvest­ing kun­nen er vraagtekens gezet wor­den bij de woord­keuze van de rec­tor. Zo stelt de Vlaamse Jeug­draad bijvoor­beeld dat er nog steeds sterke socio-economis­che ver­schillen bestaan in onder­wi­js en onder­wi­jskansen in Vlaan­deren. Zo zou nauwelijks een kwart van de kinderen van laaggeschoolde moed­ers aan hoger onder­wi­js begin­nen tegen­over 83 % van de kinderen van hooggeschoolde moed­ers: een duidelijke ongelijkheid.

UGent gaat internationaal

Vol­gens de rec­tor zou de oploss­ing voor het teko­rt aan hoogopgelei­de stu­den­ten te vin­den zijn in het aantrekken van meer inter­na­tionale stu­den­ten. Hij staat dan ook even stil bij het his­torische belang van inter­cul­turele uitwissel­ing. Het zou dan ook “onze plicht zijn” om de uni­ver­siteit open te stellen naar de wereld. Het is natu­urlijk niet de eerste keer dat de rec­tor zijn belang­stelling uit voor de inter­na­tion­alis­er­ing van UGent, waar­voor zelfs een hele dienst bestaat. 

Aan het einde van zijn speech komt de rec­tor tot de zoge­naamde “kern van zijn betoog”, namelijk dat nie­mand het alleen kan, en we samen aan het­zelfde zeel moeten trekken. De rec­tor vraagt dan ook aan alle betrokke­nen om zich mee achter het plan voor 2050 te zetten. Hij haalt ook het belang aan van betaal­bare en kwaliteitsvolle stu­den­tenkamers, waar op dit moment een enorm teko­rt aan is, en een duurza­am en stu­den­ten­vrien­delijk open­baar ver­vo­er. Zak­en die uit­er­aard noodza­ke­lijk zijn en dat ook zullen bli­jven in 2050. 

Ten slotte kwam er dan nog de plechtige open­ing van het acad­e­mie­jaar 2022–2023. Een acad­e­mie­jaar waar het koten­teko­rt nog welig zal tieren, de inter­na­tion­alis­er­ing na coro­na terug volop ingezet kan wor­den en er aan de onder­wi­jskansen ver­moedelijk weinig zal veran­deren. In welke mate deze voor­spellin­gen waarheid wor­den, zal natu­urlijk van het beleid afhangen.