De maatschappelijke relevantie van cartoons


Een artikel is maar zo goed als de afbeelding die erbij staat. En geen enkele afbeelding springt zo in het oog als een cartoon. Maar wat is een cartoon eigenlijk? En wat is de relevantie van die schijnbaar vluchtig getekende afbeeldingen voor een krant?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 20/10/2019 – 18:45 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

In juni 2019 liet de Amerikaanse krant The New York Times (NYT) weten dat ze niet langer car­toons zouden pub­liceren in de inter­na­tionale uit­gave van hun krant. Aangezien eerder al een soort­gelijk besluit werd genomen voor hun nationale uit­gaves, kwam dit dus con­creet neer op een ban op car­toons in de NYT. Car­toon­is­ten van over de hele wereld lieten hun veront­waardig­ing horen over deze besliss­ing, die vol­gens hen neerkomt op cen­su­ur.

Om dit debat over de car­toon­ban bred­er te kaderen, is het nodig even stil te staan bij car­toons. Wat zijn deze karikat­u­rale afbeeldin­gen, die soms een grotere impact lijken te hebben dan de gen­u­anceerde artikels die ze artistiek begelei­den? En waarom is het ver­bod op car­toons een klap voor kri­tis­che jour­nal­istiek? Gelukkig heeft de UGent een rijke tra­di­tie aan serieus onder­zoek naar car­toons. Daarom besloten wij twee mas­ter­proeven te gebruiken als bron­nen voor onze zoek­tocht, namelijk ‘Poli­tieke car­toons en hun pub­liek’ van Koen Destoop en ‘Car­toons in het land van de anti-sov­jets’ van Jos Pode­vyn.

Scham­pers eigen poging tot een poli­tieke car­toon

Definities uitlijnen

Vooraleer we kun­nen ingaan op de rel­e­vantie van car­toons is het belan­grijk dat we eerst bepalen wat een car­toon pre­cies is. Niet iedere getek­ende afbeeld­ing in een krant of tijd­schrift mag zich zomaar een car­toon noe­men. Daar­voor moet die eerst bepaalde eigen­schap­pen hebben. “Een algemene defin­i­tie van car­toons is er niet,” stelt Destoop, “maar door­gaans is een car­toon veel sim­pel­er dan de gemid­delde afbeeld­ing. Ook is er meer nadruk op over­dri­jv­ing, zoals bij een karikatu­ur, en zit er telkens een bood­schap van de car­toon­ist achter. Een afbeeld­ing zoals een foto geeft de realiteit weer, een car­toon eerder een visie en die ver­vormt dus steeds de realiteit. Toch gaat een car­toon ook steeds over de actu­aliteit en probeert de car­toon­ist deze op humoris­tis­che wijze weer te geven.”

Pro­fes­sor Devos ver­heft zich als een Gal­lisch stamhoofd boven zijn stu­den­ten

Car­toons zijn dus poli­tiek beladen prenten die de realiteit op een karikat­u­rale manier willen benaderen. Miss­chien passend voor de vaak humoris­tis­che func­tie van car­toons, berust ook het woord zelf op een spraakver­war­ring. Zo schri­jft Pode­vyn in zijn mas­ter­scrip­tie: “Car­toon komt van het Ital­i­aanse woord ‘car­tone’, dat vaak gebruikt werd om te ver­wi­jzen naar de vooron­twer­pen van muurschilderin­gen. In 1843 hield men in het Britse par­lements­ge­bouw een ten­toon­stelling van ‘car­toons’, toen dus vooron­twer­pen. Het mag­a­zine Punch maak­te een satire over die ten­toon­stelling, waar­bij ze hun eigen car­toons ontwier­pen. Door een spraakver­war­ring ontstond zo de nieuwe beteke­nis van het woord ‘car­toon’.”

Vormen en maten

Nu weten we ongeveer wat een car­toon is, maar welke func­tie kan een car­toon pre­cies hebben? Destoop maakt op dit vlak een onder­scheid tussen drie soorten car­toons: “Allereerst zijn er analy­serende car­toons, die hebben in de eerste plaats tot doel om infor­matie te ver­schaf­fen of zak­en te ver­duidelijken. Daar­naast is het ook mogelijk dat een car­toon geen infor­matie wil over­bren­gen, maar com­men­taar wil geven op bepaalde infor­matie. Dan spreken we van becom­men­tar­iërende car­toons. En ten slotte zijn er ook nog car­toons waar­van het doel vooral is om mensen (poli­tiek) te lat­en han­de­len. Dat zijn agi­ta­torisch-pro­pa­gan­dis­tis­che car­toons.”

“In car­toons is er min­der plaats voor nuance” – Destoop

Vol­gens Destoop is het belan­grijk dat we de car­toon vooral zien als een vorm van emo­tionele over­tuig­ing: “Een louter infor­matieve car­toon bestaat vol­gens mij zo goed als niet. Er is qua­si alti­jd een bood­schap mee gemoeid, en deze is door­gaans emo­tion­eel van aard. Omdat car­toons werken met beelden, waar veel min­der ruimte is voor nuance, is er hier eerder sprake van een emo­tionele dan van een rationele argu­men­tatie.” Vol­gens pro­fes­sor Charles A. Hill is dit tevens de reden waarom veel stud­ies lange tijd geen inter­esse getoond hebben in car­toons.

Beeldspraak

De emo­tionele lad­ing in car­toons lei­dt tot een spec­i­fiek prob­leem. Zoals Destoop het zegt in zijn mas­ter­proef: “Een car­toon is enkel zo invloedrijk als de mate waarin het pub­liek de car­toon kan begri­jpen en par­ticipeert in het gegeven argu­ment.” Daarom is het dus nodig dat de car­toon­ist een hoeveel­heid herken­bare beelden op zo’n manier samen­stelt dat het pub­liek de beteke­nis kan begri­jpen. “Voorts is het zo dat iedere lez­er een eigen inter­pre­tatie kan geven aan een poli­tieke car­toon naarge­lang de poli­tieke voorkeur, inter­pre­tatieve behendigheid en een hele­boel andere fac­toren.”

Naarge­lang je stand­punt zul je een andere beteke­nis zien

Om deze vrij abstracte uit­leg een beet­je te con­cre­tis­eren, gebruiken we een car­toon die ver­scheen in de vorige edi­tie van Scham­per. Bij een artikel over tussen­ti­jdse proeven werd toen deze car­toon van Carl Devos geplaatst. Mensen die de tussen­ti­jdse proeven een slecht idee vin­den, lazen deze car­toon vast als een spot­prent: pro­fes­sor Devos die zichzelf boven zijn stu­den­ten ver­heft als een soort Gal­lisch stamhoofd. Voor­standers van de tussen­ti­jdse toet­sen had­den dan weer een min­der iro­nis­che lez­ing van de car­toon: voor zijn goede ideeën ver­di­ent Devos het om als een stamhoofd rondge­dra­gen te wor­den. Bei­de inter­pre­taties ste­unen op het feit dat de lez­er zow­el het hoofd van pro­fes­sor Devos, als de per­son­ages uit Aster­ix herkent.

Stereotypes

Vol­gens Pode­vyn zijn er ook gevaren ver­bon­den aan deze manier van com­mu­niceren: “Car­toons zijn alti­jd een vorm van coder­ing: losse afbeeldin­gen en tekens wor­den samenge­plaatst om zo een bood­schap over te bren­gen. Die coder­ing brengt echter een groot gevaar met zich mee. Het gebruik van sym­bol­iek, een belan­grijk mid­del van de car­toon­ist, werkt namelijk stereo­typ­ie in de hand. Die stereo­typ­ie is een sys­tem­a­tis­che ver­war­ring van het afge­beelde met de afbeeld­ing.” Zo wor­den moslims gelijkgesteld aan de afbeeld­ing van man­nen in lange kle­den en baar­den, en stellen we Don­ald Trump gelijk aan eigen­schap­pen die hij enkel in car­toons heeft.

Een car­toon waarin Bart De Wev­er nogal stereotiep wordt afge­beeld

Ondanks het feit dat Destoop dit gevaar van stereo­typ­ie niet ontkent, ziet hij hierin echter geen reden om een car­toon­ist te cen­sur­eren: “Ik vind dit geen groot prob­leem. Het is eigen aan de karikatu­ur dat die bepaalde zak­en probeert te over­dri­jven. Per­soon­lijke ken­merken van iemand uitver­groten is geen prob­leem, maar bij een groep mensen wordt dit soms wel als prob­lema­tisch gezien. De car­toon­ist gaat vaak op zoek naar het meest herken­bare en ver­g­root dat uit om zo duidelijk mogelijk te zijn. Zoals men bij­na alti­jd een Frans­man met baret en stok­brood zal teke­nen. Duidelijke gren­zen zijn er niet.”

Censuur aflijnen

Als het over cen­su­ur gaat, ver­schillen Destoop en Pode­vyn sterk van mening. Destoop vin­dt cen­su­ur sowieso not done als het gaat om car­toons: “Alle vor­men van cen­su­ur vind ik onterecht en con­trapro­duc­tief. In cen­su­ur huist er ook een para­dox: dat­gene wat je probeert te ver­bieden, zal alti­jd juist daar­door bek­end wor­den. Iedereen moet zijn eigen oordeel over de car­toon kun­nen vellen. Een car­toon heeft vol­gens mij de bedoel­ing om het debat open te trekken. Daar­door wordt de car­toon­ist een soort colum­nist. En ik vind dat die door de staat noch door de krant gecen­sureerd mag wor­den. Car­toon­is­ten doen al aan zelf­cen­su­ur en dat lijkt me vol­doende.”

“Voor mij is de car­toon­ist een jour­nal­ist”- Pode­vyn

Pode­vyn denkt echter dat cen­su­ur part of the game is. “Voor mij is de car­toon­ist een soort jour­nal­ist, al zijn er belan­grijke ver­schillen. Jour­nal­is­ten mak­en hun bood­schap expli­ci­et en gen­u­anceerd, ter­wi­jl de bood­schap van car­toons vaak eerder impli­ci­et is en neerkomt op één duidelijke kreet. Daar­door kri­jgt bin­nen de redac­tie de car­toon­ist vaak veel meer ruimte dan andere jour­nal­is­ten. Toch draagt die, net zoals de andere jour­nal­is­ten, een ver­ant­wo­ordelijkheid door de grote impact die hij heeft. De car­toon­ist kan niet zomaar alles teke­nen. Niet alleen is het logisch dat een krant selecteert welke car­toons ze geschikt vin­dt, maar car­toon­is­ten doen vaak ook aan zelf­cen­su­ur.

Trump en Netanyahu

Een mooi teken van de vri­jheid die Scham­per geeft aan car­toon­is­ten

Dat brengt ons ten slotte bij de besliss­ing van de NYT om geen car­toons meer te pub­liceren. Dit besluit vol­gde na een anti­semi­tis­che car­toon in hun krant, waarin de Israëlis­che pre­mier Ben­jamin Netanyahu werd afge­beeld als een hond aan de leiband van baas­je Trump, die zelf een kep­pel droeg. Vol­gens veel car­toon­is­ten wereld­wi­jd, zoals Mar­tin Row­son, is dat alsof je columns in je krant zou ban­nen na het pub­liceren van één slechte col­umn. “Car­toon­is­ten zijn alti­jd de eersten die een krant zal lat­en vallen, dat is alti­jd al zo geweest.” stelt Row­son, “Maar dat de NYT dit na één ranzig geval doet is toch veelzeggend. Car­toon­is­ten zijn als kanaries in een koolmi­jn, als ze achter ons aan­gaan weet je dat de poli­tiek giftig wordt.”