De Kloeke Van Dale


Luistert, oh armoezaaiers en proletariërs. Sinds jaar en dag is de UGent de universiteit des volks. Bij ons geen intellectualistische pedanterie en cultuurmarxistische pedagogie. Integendeel! Onze grootste talenknobbels kwamen samen om een alternatief te schrijven voor de o zo hoogdravende 'Dikke Van Dale'. Zij kwamen op de proppen met 'De Kloeke Van Dale'. Eindelijk een woordenboek voor en door het…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 6/10/2019 – 17:49 door Daan Van Cauwen­berge

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Anti­boudrique

An-ti-bou-drique (bijvoeglijk naam­wo­ord, bij­wo­ord)

1. Pathol­o­gisch gepre­oc­cu­peerd met stoe­len.

 

Boudrique

Bou-drique (bijvoeglijk naam­wo­ord, bij­wo­ord)

1. Op pedante wijze N‑VA stand­pun­ten verdedi­gend.

 

Bruggen

Brug-gen (werk­wo­ord; brugde, heeft gebrugd)

1. Beloven iets op tijd af te werken, maar het dan weken te laat doen.

Voor­beeld: “Mijn groep­swerk was een ramp. Mijn part­ner heeft volledig gebrugd.”

 

Doopde­creet

Doop-de-creet (zelf­s­tandig naam­wo­ord; o; het; mv: doopde­creten)

1. Een inside joke.

2. Een excu­us om 18-jari­gen din­gen te lat­en doen die ze niet willen doen.

 

Driezen

Drie-zen (werk­wo­ord; dri­este, heeft gedri­est)

1. Op korte tijd grote pro­motie mak­en door fascis­tis­che praat te verkopen.

Voor­beeld: “De Wev­er heeft een Vlaamse regering gedri­est.”

 

Over­poorter

O‑ver-poor-ter (zelf­s­tandig naam­wo­ord; m; de; mv: over­poorters)

1. Iemand die de leegte in zijn lev­en probeert te vullen met alco­hol en schi­jfkes.

 

Onder­poorter

On-der-poor-ter (zelf­s­tandig naam­wo­ord; m; de; mv: onder­poorters)

1. Iemand wiens iden­titeit eruit bestaat geen Over­poorter te zijn.

2. Iemand die iets te hard lacht met de defin­i­tie van ‘Over­poorter’.

 

Resto-dressen

Res-to-dres-sen (werk­wo­ord; resto-dresste, heeft geresto-dresst)

1.  Het benoe­men van afgekook­te groen­ten met exo­tis­che namen om de pop­u­lar­iteit te ver­hogen.

Voor­beeld: Franse boter­boon­t­jes.

 

Rik­tor

Rik-tor (zelf­s­tandig naam­wo­ord; m; de; mv: riktoren/ rik­tors)

Zie: Rik Van de Walle.

 

Schau­vliegen

Schau-vlie-gen (werk­wo­ord; vloog schau, heeft schaugevlo­gen)

1. Een job com­pleet ver­pesten, maar toch opnieuw dezelfde job kri­j­gen.

 

Twee­duizendisme

Twee-dui-zen-dis-me (zelf­s­tandig naam­wo­ord; o; het)

1. Neer­buigend­heid op basis van geboorte­jaar.

 

Uforafo­bie

U‑fo-ra-fo-bie (zelf­s­tandig naam­wo­ord; v; de; mv: uforafo­bieën)

1. Een rationele angst voor bucht.

 

Uforaïseren

U‑fo-ra-ï-se-ren (werk­wo­ord; uforaïseerde, heeft geü­foraïseerd)

1. Iets wat brak was – maar werk­te – nog brakker mak­en en com­pleet onwerk­baar mak­en.

2. Een per­fect werk­end zelfge­maakt prod­uct inruilen voor slechtere bucht van een multi­na­tion­al.

Voor­beeld: “Het is uit met mijn lief, onze relatie was geü­foraïseerd.”

 

Vlaam­sakko­ord

Vlaams-ak-koord (zelf­s­tandig naam­wo­ord; o; het; mv: vlaam­sakko­or­den)

1. Een besluit waarmee je stu­den­ten naait.

Voor­beeld: “De pro­fes­sor politi­colo­gie nam een Vlaam­sakko­ord toen hij besloot een tussen­ti­jds exa­m­en te houden.”