Bepaalt taal onze realiteit?


Loquor, ergo cogito, ergo sum. Ik spreek, dus ik denk, dus ik ben. Deze uitbreiding van het aloude gezegde houdt de psycholinguïstiek al decennia bezig. Maar klopt dat wel? Heeft de taal die je spreekt werkelijk zo'n invloed op hoe je denkt?

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 19/03/2023 – 10:03 door Nathan Laroy

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Waar anders kan je dit the­ma aan­vat­ten dan bij de groot­vaders van het lin­guïstisch rel­a­tivisme? Edward Sapir en Ben­jamin Whorf voer­den in de jaren 20 van de vorige eeuw onder­zoek uit naar hoe struc­turele eigen­schap­pen van taal een invloed uitoe­fe­nen op hoe mensen de wereld ron­dom hen waarne­men en hoe taal cul­tu­ur vor­mgeeft.

Van­daag bestaat de Sapir-Whorfhy­pothese uit ver­schil­lende vor­men die doorheen de jaren onder invloed van voortschri­j­dend inzicht ontwikkeld zijn. De streng­ste vari­ant staat bek­end als ‘lin­guïstisch deter­min­isme’. Die stelt dat menselijke cog­ni­tie volledig bepaald is door taal. Het is miss­chien wat kort door de bocht, maar dat zou willen zeggen dat als je iets niet onder woor­den kan bren­gen, het eigen­lijk niet bestaat voor jou.

De Inu­it hebben hele­maal niet meer dan vijftig woor­den voor ‘sneeuw’

Zo zouden de Inu­it door de seman­tis­che rijkheid van Inuk­ti­tut op per­ceptueel vlak effec­tief beter dan ons ‘soorten sneeuw’ kun­nen onder­schei­den van elka­ar. Wij zouden de sub­tiele ver­schillen gewoon niet kun­nen waarne­men, door een gebrekkige taal. Sapir zelf stelde zo ook dat de Hopi, een stam inheems aan het huidi­ge Ari­zona, geen begrip van tijd hebben. Het licht van een nieuwe dag toont niet zozeer ‘een nieuwe dag’, als ‘de terug­keer van het licht’, omdat tijd voor de Hopi niet bestaat uit lin­eaire, tel­bare een­heden zoals bij ons.

Mooie verhaaltjes

Een terugk­erend prob­leem met die strenge inter­pre­tatie van de Sapir-Whorfhy­pothese is dat con­creet empirisch onder­zoek die vaak ste­vig op zijn grond­vesten doet dav­eren. Som­mige tal­en drukken bijvoor­beeld tijd uit met ruimtelijke metaforen (zoals ‘vooruit­b­likken’ naar iets, of to ‘push back’ a meet­ing). Als hypothese verwacht je dan dat wan­neer sprek­ers van die tal­en net een hor­i­zon­taal georiën­teerde beweg­ing of ruimtelijke relatie aan­dachtig hebben ver­w­erkt, dat ervoor zorgt dat zij zo’n tijd­suit­drukking sneller begri­jpen. Of toch sneller dan wan­neer men net een ver­ti­cale beweg­ing heeft waargenomen, dat met het taalaspect zou inter­fer­eren. Onder­zoek daaromtrent is echter weinig een­duidig.

Een ander bek­end voor­beeld betre­ft kleur­waarne­m­ing: oude stam­men die een taal spreken met weinig kleur­wo­or­den, zouden moeite ondervin­den om licht ver­schil­lende kleuren te onder­schei­den, juist omdat ze er geen woord voor hebben. Som­mige onder­zoeken lijken dat ver­moe­den te beves­ti­gen, maar andere vin­den dan weer geheel het tegen­overgestelde.

Mensen lijken een zekere magie te willen toeschri­jven aan taal

En eigen­lijk is dat laat­ste een beet­je de rode draad: ini­tiële bevin­din­gen lijken veel­belovend, maar onafhanke­lijke onder­zoeks­groepen kun­nen die ver­vol­gens maar met moeite her­halen en beves­ti­gen. Dat taal onze cog­ni­tie en realiteit voor hon­derd pro­cent zou bepalen, is dus wellicht een te een­voudi­ge voorstelling van de werke­lijkheid.

Trouwens, de Inu­it hebben hele­maal niet meer dan vijftig woor­den voor ‘sneeuw’, zoals vaak gezegd wordt. Dat idee stamt onder andere af van het feit dat Inuk­ti­tut een poly­syn­thetis­che taal is, wat wilt zeggen dat zin­nen niet bestaan uit veel ver­schil­lende woor­den, maar uit bijvoor­beeld een of twee woor­den waarin veel betekenisvolle stuk­jes aan elka­ar geplakt zijn. Zo wordt de zin ‘ik ben blij om hier te zijn’ ver­taald naar ‘quvi­a­suk­tun­ga tamaan­ni­in­na­ma’ – slechts twee woor­den! ‘Sneeuw’ kan zo dus ogen­schi­jn­lijk als veel ‘woor­den’ voorkomen (alhoewel de kwest­ie eigen­lijk nog ingewikkelder is).

Taal zonder meer?

Taal bepaalt onze realiteit miss­chien niet, maar zijn er dan hele­maal geen invloe­den? Neem bijvoor­beeld oriën­tatie in de ruimte. Som­mige tal­en mak­en geen gebruik van ruimtelijke aan­duidin­gen als voor, achter, links en rechts, maar enkel van win­drichtin­gen. Het ref­er­en­tiepunt van richt­ing staat dus buiten de sprek­er. Als je elke ruimtelijke ver­houd­ing, dus ook vorken ten aanzien van bor­den, moet aan­duiden met een win­dricht­ing, is het belan­grijk dat je te allen tijde je oriën­tatie kent. Mensen die zulke tal­en vloeiend spreken, zouden dan ook een beter ruimtelijk oriën­tatiev­er­mo­gen hebben, dix­it onder­zoek­ers aan het Max Planck Insti­tu­ut.

Maar ook bij zulke zak­en bli­jft een kri­tisch oog nodig. Fenome­nen van dit genre wor­den vee­lal teruggevon­den bij stam­men die op tra­di­tionele wijze in afgele­gen gebieden wonen. Als je leeft zoals je vooroud­ers dat eeuwen­lang deden, afge­zon­derd van anderen, is het logisch dat je cog­ni­tieve capaciteit­en zich enten op klassieke vaardighe­den als oriën­tatiev­er­mo­gen in de ruimte. Het is dus niet zo duidelijk hoe dergelijke bevin­din­gen iets kun­nen beteke­nen voor de mod­erne mens.

Hoaxes alom

Er doen ver­schil­lende hoax­es de ronde over hoe taal je gedacht­en zou sturen of beïn­vloe­den. Een bek­end geval is the bilin­gual advan­tage. Meer­tal­ige per­so­n­en zouden een alge­meen sterkere cog­ni­tieve capaciteit hebben. Meer­ta­l­igheid zou je de magis­che kracht geven om beter te focussen en te mul­ti­tasken, het zou je een hoger IQ oplev­eren, enzovoort. Sterk weten­schap­pelijk bewi­js is hier echter niet voor, zo schreef ook pro­fes­sor Robert Hart­suik­er, psy­cholin­guïst aan de FPPW. Als het al waar zou zijn, veroorza­akt meer­ta­l­igheid dan de betere cog­ni­tieve capaciteit­en, of omge­keerd?

Je zou fobieën, tics, en zelfs bijziend­heid kun­nen ver­helpen met taal

Neu­ro-lin­guis­tic pro­gram­ming is dan weer een pop­u­laire pseudoweten­schap­pelijke hoax bij leiderschaps-‘experts’, hyp­nother­a­peuten en bepaalde gym & cryp­to bro-achtige types. Het is Sapir-Whorf in essen­tie: door op een bepaalde manier te spreken, kan je andere per­so­n­en of jezelf pro­gram­meren, daar jouw spraak­pa­troon als een soort Tro­jaans paard iemands herse­nen bin­nen­dringt om er je werke­lijke bedoelin­gen te veruitwendi­gen. Je zou gedragspa­tro­nen kun­nen beïn­vloe­den, maar ook fobieën, tics en zelfs bijziend­heid kun­nen ver­helpen met taal.

Opnieuw is daar jam­mer genoeg – vanzelf­sprek­end – weinig van aan. Opval­lend bli­jft wel hoe mensen een zekere magie lijken te willen toeschri­jven aan taal, alsof het danig spe­ci­aal zou zijn. Als je iets genoeg her­haalt, wordt het miss­chien werke­lijkheid.