Aan alle zotten


Daar stond ze. Het zwart van haar ogen dicht­geknepen, haar vinger­top­pen inge­beten, gek­naagd. Haar link­er­been trilt net als alti­jd. Miss­chien was dat op dat ogen­blik zowat nog het enige dat mijn tante tot mijn ‘echte’ tante behield.   Of ze nog iets wil eten, vraagt mijn moed­er. “Die is mij daar echt aan het con­trol­eren,” antwo­ordt…

Oor­spronke­lijk gepub­liceerd op 4/01/2020 – 17:26 door Katrien Van­den­broeck

Dit artikel werdt oor­pronke­lijk gepub­liceerd op de oude Scham­per site. Toen deze uit gebruik werd genomen, wer­den alle artikels overgezet.

Daar stond ze. Het zwart van haar ogen dicht­geknepen, haar vinger­top­pen inge­beten, gek­naagd. Haar link­er­been trilt net als alti­jd. Miss­chien was dat op dat ogen­blik zowat nog het enige dat mijn tante tot mijn ‘echte’ tante behield.

 

Of ze nog iets wil eten, vraagt mijn moed­er. “Die is mij daar echt aan het con­trol­eren,” antwo­ordt ze, “Die heeft mij vergiftigd, Sofie. Echt waar.” Ze drukt haar lip­pen. Mijn moed­er zucht. “Is dat zo, Leen­t­je?”, vraagt ze. Mama zit tegen­over haar, haar elle­bo­gen op de keukentafel, haar armen gekruist. In haar stem zit iets van ver­dri­et. Waarom nu, waarom? Dat dit über­haupt weer haar lev­en komt schud­den, na zoveel jaren dat het goed leek te gaan met haar zus. “Maar ja, Sofie”, ze wiebelt nog even op haar stoel, kijkt even neer. Zenuwachtig ver­schuift ze haar blik van links naar rechts, dan weer terug naar ons: “Die spaghet­ti­saus smaak­te raar. Echt raar, Sofie: Vake heeft mij willen vergifti­gen.” “Maar wat wint hij daaraan Leen­t­je? Vake heeft veel aan jou.”

“Ach Sofie”, zegt ze. Ze leunt naar achteren en neemt haar al min­stens hon­derd­ste slok spuit­wa­ter. Of ze wil dat ik nog een fles ga halen, stel ik voor. Ze staart, maar naar wat weten mama en ik niet goed. In de leegte wellicht. Opge­zo­gen in dat wereld­je waar zij nu in zit, en miss­chien nog voor een hele tijd in zal verbli­jven. Ze bijt haar onder­ste lip voor even, en zegt: “Jul­lie zijn alle­maal een spelleke met mij aan het spe­len.”

Mijn fam­i­lie is zowat getrof­fen door wat medici nu met de term ‘psy­chosegevoe­ligheid’ benoe­men. Ik heb mijn groot­moed­er aan mijn moed­er­skant miss­chien omwille van deze reden nooit gek­end. ‘Schizofreen’, dat zei­den ze toen tegen haar. U weet het miss­chien niet, maar naar schat­ting zou bij­na 1% van de wereld­bevolk­ing min­stens een­maal hieron­der lij­den. Een volle pro­cent, dat is zek­er niet weinig. Veel behan­del­ingsmo­gelijkhe­den zijn er eerlijk gezegd niet: amper een tien­tal jaren gele­den was het de gewoonte om deze mensen ‘plat te spuiten’ met aller­lei kalmeer­mid­de­len. Veel andere din­gen had­den ver­pleegkundi­gen des­ti­jds niet voor han­den. Mijn mama heeft mij vaak verteld hoe mijn groot­moed­er zich door haar med­icatie zo muf voelde dat ze daar meestal gewoon stond en niks deed.  Psy­cho­far­ma­ca zijn in deze tij­den wel al stukken beter vergeleken met zovele jaren gele­den, maar bij ongeveer de helft van de patiën­ten is het nog steeds zo dat deze er niet in sla­gen om het ziek­tepro­ces te bestri­j­den.

Ik zeg het weer: 1 %. Iedereen kent wellicht één iemand die er dus mee te mak­en heeft gehad, van ver of nabij, soms zelfs zon­der ervan op de hoogte te zijn. Maar ze zijn er. En hele­maal genezen zijn er maar zeer weinig. Ik had de indruk, ook door er met mijn fam­i­lie over te prat­en deze kerst, dat er naar psy­chose op een wat mys­terieuze, lugu­bere en bij­na angstaan­ja­gende wijze wordt gekeken, dat het gaat om die ‘rare mensen’. Maar het zijn mensen zoals jij en ik, met dit ver­schil gewoon dat hun boven­ste kamert­je wat rom­melig is. En het is mijn mening dat dit stereo­type de zak­en niet helpt, wel inte­gen­deel.

Daarom wilde ik dit ver­haal vertellen. Over haar. Voor haar, en voor allen die ermee dagelijks gecon­fron­teerd wor­den. 

Aan alle zot­ten.